Search
Search

Flora en Fauna soorteninformatie

 
Zoeken
 
 
Zoeken


Gebied
Biotoop
Project

 
   
 
Groepen
 
 
Sponzen
Neteldieren
Ribkwallen
Ringwormen
Borstelwormen
Hoefijzerwormen
Snoerwormen
Kelkwormen
Platwormen
Weekdieren
Zeespinnen
Kreeftachtigen
Mosdiertjes
Stekelhuidigen
Zakpijpen
Vissen
Reptielen
Zoogdieren
Vaatplanten
Roodwieren
Groenwieren
Bruinwieren
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 630 items in 32 pages
ZoekbeeldKenmerken
 
               
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 630 items in 32 pages
Bretel-zakpijp
Clavelina lepadiformis


Lees verder...
Bretel-zakpijp
Clavelina lepadiformis
Mariene groepsvormende zakpijp. Losse groepjes van zakpijpen. De zakpijp is doorzichtig met witte lijnen in het lichaam en dubbele lijnen rond de sifo's. Tot 3 cm hoog.

Lees verder...
Clavelina lepadiformisMariene groepsvormende zakpijp. Losse groepjes van zakpijpen. De zakpijp is doorzichtig met witte lijnen in het lichaam en dubbele lijnen rond de sifo's. Tot 3 cm hoog.Doorschijnend wit of roze. Oosterschelde en Noordzee.

Waarneming.nl: Bretelzakpijp.
In de Oosterschelde in de haven van Burghsluis te vinden. Waarneming.nl: Bretelzakpijp.103552SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Brokkelster
Ophiothrix fragilis


Lees verder...
Brokkelster
Ophiothrix fragilis
<p>Zeester. Mariene soort, bestaande uit een vijfhoekige centrale plaat met vijf dunne lange gestekelde armen. Schijf tot 2 cm, armen tot ca 8 cm. Variabel van kleur, met vaak een bruingrijze centrale plaat en op de armen o.a. roodbruine en gele banden. Leeft op en tussen allerlei bodemsubstraat op harde en zachte bodems. De armen kunnen omhoog gericht in de stroming staan. </p>

Lees verder...
Ophiothrix fragilis

Zeester. Mariene soort, bestaande uit een vijfhoekige centrale plaat met vijf dunne lange gestekelde armen. Schijf tot 2 cm, armen tot ca 8 cm. Variabel van kleur, met vaak een bruingrijze centrale plaat en op de armen o.a. roodbruine en gele banden. Leeft op en tussen allerlei bodemsubstraat op harde en zachte bodems. De armen kunnen omhoog gericht in de stroming staan.

Afmetingen: Het lichaam zonder armen is 2 cm in doorsnede. De armen kunnen een lengte bereiken van circa 8 cm.
Kleur: De kleur is zeer variabel. Vaak met een bruingrijze centrale plaat, aan de onderzijde en op het midden van de armen feller gekleurd, met o.a. roodbruine en gele lichte en donkere banden op de armen. De centrale plaat kan ook meerkleurig zijn en heeft meestal andere kleuren dan de armen. Egale  dieren komen echter ook voor.
Vorm: Het dier bestaat uit een vijfhoekige centrale plaat met vijf lange armen, bezet met lange stekeltjes. De armen kunnen omhoog gericht in de stroming staan om plankton te vangen.
Armen: De armen zijn volledig bezet met lange stekeltjes, waardoor ze een harig aanzien krijgen. De armen zijn niet vergroeid met de vijfhoekige centrale plaat.

 Atlantische Oceaan vanaf de Lofoten en IJsland tot in de Middellandse Zee, de Azoren en langs de kust van West-Afrika tot Kaap de Goede Hoop. In Nederland vaak massaal in de Oosterschelde en plaatselijk langs de Noordzeekust.

De Brokkelster is te vinden van het intergetijdengebied tot grote diepten. De dieren leven op en tussen allerlei substraat. Vooral op rotsen, stenen, wieren, ook tussen sponzen en op zachte bodems. Algemeen, vooral na zachte winters. Waar veel stroming staat kunnen ze massaal voorkomen. De dieren liggen dan in dikke plakkaten op elkaar. Vaak steken de armen in de stroming omhoog, om zo plankton te vangen. Op plaatsen met weinig stroming komt de Brokkelster ook voor, maar hier zijn ze veel minder algemeen en zitten ze vaker verscholen tussen het substraat. Brokkelsterren zijn zeer fragiel, waardoor armen makkelijk afbreken. Daar komt ook de naam vandaan. Temperatuursgevoelige soort: strenge winters overleven ze vaak niet.

 125131SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP
Bron-blaashoren
Physa fontinalis


Lees verder...
Bron-blaashoren
Physa fontinalis
Zoetwater-huisjesslak. Tot 12 mm. Lichtbruin, glanzend, het dier is door de wand zichtbaar. Linksgewonden huisje. Geen navel. Alleen vage groeilijntjes. Bij het kruipende dier zijn de mantelflappen als vingers om de schelp heengeslagen.

Lees verder...
Physa fontinalisZoetwater-huisjesslak. Tot 12 mm. Lichtbruin, glanzend, het dier is door de wand zichtbaar. Linksgewonden huisje. Geen navel. Alleen vage groeilijntjes. Bij het kruipende dier zijn de mantelflappen als vingers om de schelp heengeslagen.Afmetingen: H tot 12, B tot 7 mm.
Schelpkleur: Lichtbruin of hoornbruin, glanzend, doorschijnend: het dier is door de wand zichtbaar.
Schelpvorm:
Linksgewonden huisje met 4-5 bolle windingen. De laatste is sterk opgeblazen en neemt 3/4 van de totale hoogte in. De top is  stomp, de voorgaande windingen zijn afgerond en steken maar weinig boven de lichaamswinding uit. De mondopening is scherp en niet of nauwelijks verdikt. Geen navel. Geen afsluitplaatje (operculum) in de mond.
Sculptuur: Geen sculptuur, alleen vage groeilijntjes.
Dier: Bij het kruipende dier zijn de mantelflappen als vingers om de schelp heengeslagen.
 Algemeen in het hele land, het minst bekend uit Zeeland.

Bron-blaashoren, Phyta fontinalis, ANEMOON verspreidingsatlas Weekdieren.
Leeft vooral in stilstaande en zwak bewogen wateren met veel plantengroei. Kan enige vervuiling en verzilting verdragen. 248248SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO
Bruine plooislak
Goniodoris castanea


Lees verder...
Bruine plooislak
Goniodoris castanea
Zeenaaktslak. Tot 25-30 mm. Vrij brede soort. Aan de achterkant uitlopend in een puntige staart. Op de rug een grote kieuwkrans met 5-9 kieuwen. Rhinoforen gelamelleerd, tentakels lang. Verspreid over het lichaam staan huidknobbels. Zijkanten van de rug met een huidplooi (mantelrand) tot net achter de kieuwen. Over het midden van de rug en de staart loopt een duidelijke opstaande huidplooi. Vrij zeldzaam. Oosterschelde, Westerscheldemonding en Grevelingen.

Lees verder...
Goniodoris castaneaZeenaaktslak. Tot 25-30 mm. Vrij brede soort. Aan de achterkant uitlopend in een puntige staart. Op de rug een grote kieuwkrans met 5-9 kieuwen. Rhinoforen gelamelleerd, tentakels lang. Verspreid over het lichaam staan huidknobbels. Zijkanten van de rug met een huidplooi (mantelrand) tot net achter de kieuwen. Over het midden van de rug en de staart loopt een duidelijke opstaande huidplooi. Vrij zeldzaam. Oosterschelde, Westerscheldemonding en Grevelingen.

Afmetingen: De lengte is maximaal 25-30 mm.
Kleur: De dieren zijn meestal roodbruin, soms grijsbruin tot bijna helemaal wit, met lichte knobbels. Ze zijn doorgaans zo goed gecamoufleerd dat ze bij afwezigheid van eieren nauwelijks te vinden zijn.
Vorm: Vrij brede soort. De achterkant van het lichaam loopt uit in een puntige staart. Iets achter het midden van de rug 5-9 kieuwen in een grote kieuwkrans. Rhinoforen gelamelleerd, tentakels lang. Aan de zijkanten van de rug loopt een huidplooi (mantelrand) van voor de reuksprieten tot net achter de kieuwen. Over het midden van de rug en de staart loopt een duidelijke opstaande huidplooi. Verspreid over het lichaam staan huidknobbels.
Eieren: Een brede band met 2 tot 3 windingen, cirkelvormig afgezet met de smalle zijde op de ondergrond. De ondergrond kan behalve uit hard substraat ook uit algen bestaan, zoals Iers mos Chondrus crispus.

Video: Bruine plooislak.

 Cosmopolitische soort, onder andere bekend uit Suez, Japan en Nieuw-Zeeland. In Europa vanaf de westkust van Zweden en de zuidkustvan Noorwegen, via de Britse Eilanden tot in de Middellandse Zee. In Nederland vrij zeldzaam, tot op heden alleen in Zeeland aangetroffen (Oosterschelde, mond Westerschelde, Grevelingen).

De Bruine plooislak leeft op hard substraat, van de laagwaterlijn tot ongeveer 10 meter diepte. Het voedsel bestaat uit de kolonie-vormende zakpijp Gesterde geleikorst Botryllus schlosseri en de Slingerzakpijp Botrylloides cf. violaceus.

Volwassen dieren, en hun eieren, zijn voornamelijk in de nazomer en herfst (augustus-oktober) te verwachten, bij uitzondering tot in december.140032SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Bruine zeevinger
Alcyonidium diaphanum


Lees verder...
Bruine zeevinger
Alcyonidium diaphanum
Kolonievormende mariene soort. Vormt een rechtopstaande kolonie die tot 50 cm lang kan worden. De opgerichte delen zijn versmald aan hun basis. De gemiddelde lengte van een kolonie is 15 centimeter. De zeevinger ontstaat uit een korstvormend gedeelte dat zich op hard substraat vasthecht.&nbsp;

Lees verder...
Alcyonidium diaphanumKolonievormende mariene soort. Vormt een rechtopstaande kolonie die tot 50 cm lang kan worden. De opgerichte delen zijn versmald aan hun basis. De gemiddelde lengte van een kolonie is 15 centimeter. De zeevinger ontstaat uit een korstvormend gedeelte dat zich op hard substraat vasthecht. 

Grootte: Gemiddeld 15 cm.
Vorm: Oppervlakte is glad met knobbels.
Kleur: Bruin.
Overig: Stevig en geleiachtig. 

  Groeit op stenen en schelpen. 111597SoortenalbumNederland SMP
Bruine zoetwaterpoliep
Hydra oligactis


Lees verder...
Bruine zoetwaterpoliep
Hydra oligactis
Hydropoliep. Zoetwater soort. 0,6 - 1,5 cm. De poliep heeft lange tentakels. De soort hecht zich vast op waterplanten.&nbsp;

Lees verder...
Hydra oligactisHydropoliep. Zoetwater soort. 0,6 - 1,5 cm. De poliep heeft lange tentakels. De soort hecht zich vast op waterplanten.      290145SoortenalbumNederlandZoetwaterMOO
Bruingevlekte spookkreeft
Caprella equilibra


Lees verder...
Bruingevlekte spookkreeft
Caprella equilibra
Mannetjes tot 22 mm, vrouwtjes tot 12 mm. Geelwit doorschijnend, vaak met oranje vlekken. Oog zwart, rondom soms roodoranje. Staafvormig, slank, gesegmenteerd lichaam. Twee paar kopantennes, die overgaan in een gesegmenteerde spriet (flagellum). Eerste antennepaar ongeveer even lang als de halve lichaamslengte, spriet met tot 15 segmenten. Tweede antennes een vijfde tot hoogstens een derde van lichaamslengte, met twee segmenten. Onderzijde tweede antennepaar met lange haren. Lichaam (rugzijde) glad, op soms wat gepaarde knobbels op segment 5 na. Kop glad en plat. Scharen van het subchelate type (klapscharen). Eerste paar schaarpoten (Gnathopoda), met kleine scharen, elk met op de propodus twee korte grijpstekels en een hoekige gifstekel. Randen van propodus fijn gekarteld. Scharen van tweede paar schaarpoten groter, met lange gebogen puntige dactylus en grote gifstekel binnenin op de propodus. De palm is behaard. Basis van schaar zeer kort en stevig. Geen poten aan middelste segmenten, wel ovale, flapvormige kieuwblaasjes. Bij vrouwtjes zit onder de buiksegmenten de broedbuidel, omgeven door twee buikplaten. Aan het achterlijf meerdere korte poten en twee zeer lange (pereiopoda 6 en 7), met 2 korte grijpstekls en eindigend in een kromme dactylus.

Lees verder...
Caprella equilibraMannetjes tot 22 mm, vrouwtjes tot 12 mm. Geelwit doorschijnend, vaak met oranje vlekken. Oog zwart, rondom soms roodoranje. Staafvormig, slank, gesegmenteerd lichaam. Twee paar kopantennes, die overgaan in een gesegmenteerde spriet (flagellum). Eerste antennepaar ongeveer even lang als de halve lichaamslengte, spriet met tot 15 segmenten. Tweede antennes een vijfde tot hoogstens een derde van lichaamslengte, met twee segmenten. Onderzijde tweede antennepaar met lange haren. Lichaam (rugzijde) glad, op soms wat gepaarde knobbels op segment 5 na. Kop glad en plat. Scharen van het subchelate type (klapscharen). Eerste paar schaarpoten (Gnathopoda), met kleine scharen, elk met op de propodus twee korte grijpstekels en een hoekige gifstekel. Randen van propodus fijn gekarteld. Scharen van tweede paar schaarpoten groter, met lange gebogen puntige dactylus en grote gifstekel binnenin op de propodus. De palm is behaard. Basis van schaar zeer kort en stevig. Geen poten aan middelste segmenten, wel ovale, flapvormige kieuwblaasjes. Bij vrouwtjes zit onder de buiksegmenten de broedbuidel, omgeven door twee buikplaten. Aan het achterlijf meerdere korte poten en twee zeer lange (pereiopoda 6 en 7), met 2 korte grijpstekls en eindigend in een kromme dactylus.  

In Nederland in de Westerschelde.

Zie waarneming.nl van 1900 - 2017: Bruingevlekte spookkreeft.
Zie verspreidingsatlas.nl: Bruingevlekte spookkreeft.

  101830SoortenalbumNederlandZoutwaterLIMP
Bruinvis
Phocoena phocoena


Lees verder...
Bruinvis
Phocoena phocoena
<p>Zeezoogdier. Lengte tot 1,80. De kleinste walvisachtige in de Europese wateren. De dieren zijn vrij plomp en hebben een stompe, afgeronde kop, zonder uitstekende snuit. De donkergrijze tot zwarte rug gaat via en vlekkerige of egaal grijze flank over in een witte buik. Het staartstuk is geheel zwart. De vrij kleine, driehoekige, brede rugvin is niet naar achteren gebogen en staat midden op de rug. De flippers zijn donker, kort en afgerond. Van de flippers naar de mondhoek loopt een smalle streep.</p>

Lees verder...
Phocoena phocoena

Zeezoogdier. Lengte tot 1,80. De kleinste walvisachtige in de Europese wateren. De dieren zijn vrij plomp en hebben een stompe, afgeronde kop, zonder uitstekende snuit. De donkergrijze tot zwarte rug gaat via en vlekkerige of egaal grijze flank over in een witte buik. Het staartstuk is geheel zwart. De vrij kleine, driehoekige, brede rugvin is niet naar achteren gebogen en staat midden op de rug. De flippers zijn donker, kort en afgerond. Van de flippers naar de mondhoek loopt een smalle streep.

Afmetingen: 1,35 m - 1,90 m.
Gewicht: tot 75 kg
Geluid: Bruinvissen kunnen een knorrend geluid maken. Bovendien maken ze gebruik van echolocatie, zowel om zich te oriënteren als om voedsel te vinden. Met hun sonar kunnen ze zelfs vissen ontdekken die zich in het zand hebben ingegraven. Het geluid dat bruinvissen maken tijdens het uitademen wordt door sommigen omschreven als een ‘plof’, door anderen als een ‘nies’.

 

  

Leeft voornamelijk in relatief ondiep water. Zwemt het meest van alle walvisachtigen rivieren op. Bruinvissen leven meestal solitair, in paren (moeder en jong) of in kleine groepen van 3 tot 5 dieren. Soms wordt gezamenlijk gejaagd; grotere groepen worden meestal daarom steeds in nabijheid van scholen vis gezien. 

 137117SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Bruinwier
Ochrophyta


Lees verder...
Bruinwier
Ochrophyta


Lees verder...
Ochrophyta      345465SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP
Buikstreepnemertijn
Tubulanus superbus


Lees verder...
Buikstreepnemertijn
Tubulanus superbus
Snoerworm. Mariene soort. Zeer lange worm, tot 75-80 cm en 5 cm in diameter. Glanzend lichtbruin tot kastanjebruine huid, met opvallende karakteristieke witte lengte- en breedtestrepen, waaronder een lengtestreep op de buik. Nogal weke dieren die zich sterk kunnen samentrekken. Kop breder dan het lichaam, stomp afgerond, staart spits eindigend. Meestal in dieper water, deels ingegraven onder stenen op een zachte bodem. Scheiden slijm af. Nu en dan in de Oosterschelde.

Lees verder...
Tubulanus superbusSnoerworm. Mariene soort. Zeer lange worm, tot 75-80 cm en 5 cm in diameter. Glanzend lichtbruin tot kastanjebruine huid, met opvallende karakteristieke witte lengte- en breedtestrepen, waaronder een lengtestreep op de buik. Nogal weke dieren die zich sterk kunnen samentrekken. Kop breder dan het lichaam, stomp afgerond, staart spits eindigend. Meestal in dieper water, deels ingegraven onder stenen op een zachte bodem. Scheiden slijm af. Nu en dan in de Oosterschelde.Afmetingen: 75-80 cm lang, ca 5 cm in diameter.

Kleur: Huid glanzend lichtbruin tot kastanjebruin of meer roodbruin, met opvallende karakteristieke witte lengte- en breedtestrepen. Het onderscheidend kenmerk voor deze soort is een witte buikstreep. De eerste twee witte dwarsringen liggen ver uiteen, de overige staan dichter op elkaar.
Vorm: Zeer lange, nogal weke dieren die zich sterk kunnen samentrekken. Kop breder dan het lichaam, stomp afgerond, staart spits eindigend.

 Zweden, de Britse eilanden, Frankrijk en de Middellandse Zee. In augustus 2008 voor het eerst in Nederland waargenoemen (Osterschelde bij Goes op een diepte van 24 meter). Mogelijk een met oesterimport verspreide soort.Onder stenen, in zand, gravel of in rotsspleten vertoeven. Sublitoraal tot 80 meter of dieper. De dieren scheiden een slijmerige laag om zich heen af, waaraan kleine voorwerpen blijven kleven. Voortplanting rondom de Britse eilanden in de zomermaanden. 122639SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Californische kokerworm
Euchone limnicola


Lees verder...
Californische kokerworm
Euchone limnicola
Mariene borstelworm. Sabellidae zijn wormen met een zachte koker en een kieuwkrans en zijn als zodanig makkelijk te herkennen. Deze soort heeft ongeveer 7 paar geveerde kieuwen die in een cirkel uit de koker steken. De basis van de kieuwkrans heeft een witte tekening. De uiteinde van de kieuwkransen is voorzien van een lang filament., veel langer dan de uitstekels van de veertjes. Naast de geveerde kieuwen zijn soms ook tot drie paar onvertakte draden te zien.&nbsp;

Lees verder...
Euchone limnicolaMariene borstelworm. Sabellidae zijn wormen met een zachte koker en een kieuwkrans en zijn als zodanig makkelijk te herkennen. Deze soort heeft ongeveer 7 paar geveerde kieuwen die in een cirkel uit de koker steken. De basis van de kieuwkrans heeft een witte tekening. De uiteinde van de kieuwkransen is voorzien van een lang filament., veel langer dan de uitstekels van de veertjes. Naast de geveerde kieuwen zijn soms ook tot drie paar onvertakte draden te zien.      332800SoortenalbumNederlandZoutwater|BrakwaterMOO
Chileense zakpijp
Corella eumyota


Lees verder...
Chileense zakpijp
Corella eumyota
Grijsachtige, halfdoorzichtige mariene groepsvormende zakpijp met helder gestreepte oranje sipho's. De ovaal-eivormige individuen leven in groepen die aan elkaar zitten vastgegroeid. Meestal niet overgroeid door andere organismen. De instroomsipho zit aan de bovenzijde en is opvallend langgerekt. De in- en uitstroomopening (siphonen) kunnen niet worden ingetrokken. Rond de 4 cm groot.<br /> <br /> <br />

Lees verder...
Corella eumyotaGrijsachtige, halfdoorzichtige mariene groepsvormende zakpijp met helder gestreepte oranje sipho's. De ovaal-eivormige individuen leven in groepen die aan elkaar zitten vastgegroeid. Meestal niet overgroeid door andere organismen. De instroomsipho zit aan de bovenzijde en is opvallend langgerekt. De in- en uitstroomopening (siphonen) kunnen niet worden ingetrokken. Rond de 4 cm groot.


Afmetingen: Gemiddeld 2-4 cm. Er zijn echter ook exemplaren bekend tot 8 cm. Kott (1969) noemt zelfs een 15 cm groot Antarctisch exemplaar.
Kleur:
De meeste exemplaren zijn grijsachtig, halfdoorzichtig van kleur, met bij de sifo’s een soms helder oranje tekening die uit stipjes en/of streepjes bestaat. (Vandaar de soms gebruikte Engelse naam, zie bij opmerkingen). Vaak heeft de soort echter ook een oranje, bruine of gele waas. De darm is gewoonlijk door de mantelhuid zichtbaar en loopt vanaf de onderzijde rechtstreeks naar de uitstroomopening.
Vorm:
C. eumyota is erg variabel van uiterlijk. Dat maakt herkenning in het veld soms moeilijk. De soort komt het meest voor in dichte groepen; de individuen leven dan, zoals veel zakpijpen, op en aan elkaar vastgegroeid. Het lichaam is meestal rond of ovaal-eivormig en zijdelings afgeplat. Er is een duidelijke gescheiden in- en uitstroomopening (siphonen). Deze kunnen niet worden ingetrokken. De instroomsipho zit aan de bovenzijde en is opvallend langgerekt. De uitstroomsipho staat meestal in een rechte hoek op de zijkant van de zakpijp, op een derde tot de helft van de lichaamslengte. Volgens de literatuur (o.a. Brewin, 1946) zou de instroomopening 8 lobben en de uitstroomopening 6 lobben tellen. Ligthart telde bij Nederlandse exemplaren echter respectievelijk steeds 7 en 5 lobben (Ligthart, 2007).
Sculptuur:
In veel gevallen, maar niet altijd, ziet de zakpijp er glad en schoon uit omdat sprake is van weinig aangroeiing door andere organismen.

 

Een sterk invasieve exoot in grote delen van de wereld. In Nederland tot dusver voornamelijk bekend uit Zeeland. De soort is voor het eerst aangetroffen in maart 2007 in de jachthaven van Burghsluis op een ponton. Latere vondsten stammen eveneens uit Zeeland,  al is duidelijk dat lang niet alle waarnemers de soort herkennen en melden. Gezien de grote expantiedrift elders in Europa, is het vermoedelijk slechts en kwestie van tijd (en juiste determinatie!) of de soort ook elders langs de Nederlandse kust zal worden aangetroffen. Gericht onderzoek is daartoe aanbevolen.

De Chileense zakpijp is feitelijk een solitaire soort, die bij voorkeur met de rechterzijde plat op het substraat ligt. Vanwege de extensieve mate van voortplanting en het feit dat het larvaal stadium zeer kort is en jonge individuen zich meestal in de directe omgeving van de ouderdieren vestigen, onstaan vaak grote aaneengegroeide groepen die hele oppervlakken bedekken. Deze zakpijp is, zoals gebleken is uit laboratoriumproeven (Dupont et. al., 2007) in staat tot zelfbevruchting. Gewoonlijk wordt de soort qua voortplanting getypeerd als hermafrodiete 'broeders'. Enkele duizenden embryo’s worden geovuleerd in de peribranchiale holte, waar ze samenkleven in een gelatineuze massa. Hier worden de larven na het uitkomen vastgehouden en pas losgelaten wanneer ze dusdanig volgroeid zijn dat ze in staat zijn zich direct op een harde ondergrond te vestigen (Lambert, 2004). De dieren prefereren kalm water met weinig stroming, waar ze zich vasthechten aan steigers, palen, touwen en drijvende voorwerpen, meestal vlak onder de laagwaterlijn. Er zijn echter ook vondsten bekend uit de getijdenzone zelf, op stenen (Brewin, 1946), terwijl de soort eveneens bekend is van zachte bodems, op diepten van meer dan 10 meter, vastgehecht aan steentjes of schelpen (Varela, 2007). 173223SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Chinees hoedje
Calyptraea chinensis


Lees verder...
Chinees hoedje
Calyptraea chinensis
Mariene huisjesslak. Tot 15 mm (diameter). Wit tot cr&eacute;me, opperhuid lichtgeel. Qua vorm een verbreed, plat, puntig rond hoedje, zoals in Aziatische landen wordt gedragen. Een deels gedraaid schot dekt een deel van de mondopening aan de binnenkant af. Oppervlak met groeilijnen en soms knobbeltjes. Dier met korte snuit. Platte, korte koptentakels, het oog aan de basis. Voet ovaalrond. Lichaamskleur bleekwit tot geelachtig, soms roze. Zelden, aangevoerd met materiaal schelpdiervisserij (Oosterschelde).

Lees verder...
Calyptraea chinensisMariene huisjesslak. Tot 15 mm (diameter). Wit tot créme, opperhuid lichtgeel. Qua vorm een verbreed, plat, puntig rond hoedje, zoals in Aziatische landen wordt gedragen. Een deels gedraaid schot dekt een deel van de mondopening aan de binnenkant af. Oppervlak met groeilijnen en soms knobbeltjes. Dier met korte snuit. Platte, korte koptentakels, het oog aan de basis. Voet ovaalrond. Lichaamskleur bleekwit tot geelachtig, soms roze. Zelden, aangevoerd met materiaal schelpdiervisserij (Oosterschelde).Afmetingen: H. tot 6 mm, B. tot 15 mm (diameter).
Schelpkleur: Van buiten wit tot crémegeel, met een lichtgele opperhuid, binnenzijde glanzend wit.
Schelpvorm: Vrij dunschalige, laag kegelvormige schelp in de vorm van een min of meer rond, verbreed, plat, puntig hoedje, zoals in Aziatische landen veel wordt gedragen. Mondopening in vorm aangepast aan de ondergrond, vaak min of meer rond. Aan de binnenkant bevindt zich een karakteristiek, gedeeltelijk gedraaid schot dat een deel van de mondopening afdekt.

Sculptuur:  Het schelpoppervlak is glad met groeilijnen, maar kan ook bedekt zijn met vage tot scherpe knobbeltjes.

Dier: Korte snuit. Platte, korte koptentakels, met het oog aan de basis. Voet ovaalrond. Lichaamskleur bleekwit tot geelachtig, soms roze.

 Van de Britse Eilanden tot de Canarische Eilanden en verder zuidwaarts tot Congo. Ook in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. In Nederland in het verleden incidenteel een aantal keren levend in Zeeland aangetroffen op oesterbanken nabij Yerseke, vermoedelijk via import door de schelpdierindustrie. Ook later enkele keren levend aangetroffen op schelpen in de Oosterschelde. Daarnaast als vers aangevoerd materiaal bekend van de Kalkbranderij Yerseke en als fossiel van diverse plaatsen in Zeeland.Onder in de getijdenzone en in het sublitotraal, tot diepten van enkele tientallen meters. Vastgehecht op hard substraat, bijvoorbeeld op schelpen of kleinere stenen. De dieren vangen met behulp van slijm kleine voedseldeeltjes uit het water, die op vergelijkbare wijze als bij het Muiltje naar de monddelen worden getransporteerd (zie aldaar). De dieren zijn protandrisch hermafrodiet; jonge dieren zijn mannetjes, die in de loop van hun bestaan veranderen in vrouwtjes. Er is sprake van broedzorg; de vrouwtjes houden de eieren tijdens hun ontwikkeling onder de schelp of blijven dicht in de buurt. Na het uitkomen van de eitjes kruipen de larven meteen rond over het substraat. Er is geen pelagisch larvenstadium. 138961SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Chinese moerasslak
Cipangopaludina chinensis


Lees verder...
Chinese moerasslak
Cipangopaludina chinensis
Zoetwaterslak. Exoot / ingevoerde soort. Tot 7 cm. (Grootste zoetwaterslak in Nederland). Egaal licht- tot (zeer) donkerbruin. G&eacute;&eacute;n horizontale kleurbanden. Relatief dunschalig met 6-7 bolle windingen. Mondopening peervormig. Operculum hoornachtig. Sculptuur van onregelmatige groeilijnen en (soms) oude mondranden. Stilstaande en iets bewogen wateren met modderbodems en onderwatervegetatie. Ingevoerd met aquariummateriaal. Vermoedelijk uitbreidend.

Lees verder...
Cipangopaludina chinensisZoetwaterslak. Exoot / ingevoerde soort. Tot 7 cm. (Grootste zoetwaterslak in Nederland). Egaal licht- tot (zeer) donkerbruin. Géén horizontale kleurbanden. Relatief dunschalig met 6-7 bolle windingen. Mondopening peervormig. Operculum hoornachtig. Sculptuur van onregelmatige groeilijnen en (soms) oude mondranden. Stilstaande en iets bewogen wateren met modderbodems en onderwatervegetatie. Ingevoerd met aquariummateriaal. Vermoedelijk uitbreidend.

Afmetingen: H. tot 7 mm, B. tot 5,5 mm.
Schelpkleur: Egaal bruin tot zeer donkerbruin. Geen horizontale kleurbanden zoals bij de andere moerasslakken. Operculum hoornachtig, lichtbruin.
Schelpvorm: Relatief dunschalig. Kegelvormig, met tot 7 matig bolle windingen. Top spits, mondopening peervormig. Navel open, smal, rond. Behalve groeilijnen ook vaak oude mondranden op de laatste winding.

Dier: Grijsachtig, bruingrijs met vooral op de koptentakels gele, oranje of goudkleurige stippen. Het oog zit op de verdikte basis van de voelsprieten.

 Het oorspronkelijk leefgebied ligt in zuidoost Azië. Het omvat China, Taiwan, Korea en Japan. Als exoot is de slak inmiddels ook bekend uit Canada, de VS en Hawaï. In Europa is Nederland nu nog het enige land waar deze soort zich in de vrije natuur heeft weten te vestigen. Inmiddels is de Chinese moerasslak bekend van een tiental Nederlandse lokaties. Voor het eerst gemeld in 2010 uit Eijsden (Limburg). Later bleek de oudste vondst uit 2008 te zijn. Aangenomen wordt dat de dieren via tuincentra of de aquariumhandel in de Nederlandse natuur terechtkwamen.Stilstaande en zwak bewogen wateren met een modderbodem, waarin de dieren zich gedeeltelijk ingraven. Ook gedurende de winter zitten ze in de bodem. De slakken zijn van gescheiden geslacht en bovendien eierlevendbarend (ovovivipaar). De eieren komen in de uterus van het moederdier tot ontwikkeling en pas enige tijd na het uitkomen verlaten de jongen, compleet met een huisje van enkele millimeters, het moederdier. Moerasslakken kunnen meerdere jaren leven (schattingen lopen uiteen van 5-15 jaar). 594807SoortenalbumNederlandZoetwaterANM|Exoten
Chinese schijfhoren
Gyraulus chinensis


Lees verder...
Chinese schijfhoren
Gyraulus chinensis
Zoetwater-huisjesslak. Exoot/ingevoerde soort. Tot 7 mm. Geelwit, lichtbruin, vaak wat doorschijnend. Schijfvormig met 3-4&nbsp; windingen. Sculptuur van fijne groeilijntjes, gekruist door spiraallijntjes. Exoot, enkele keren gevonden in het wild, daarnaast vrij algemeen in aquaria, kassen etc. Wordt verspreid met aquarium-planten e.d.

Lees verder...
Gyraulus chinensisZoetwater-huisjesslak. Exoot/ingevoerde soort. Tot 7 mm. Geelwit, lichtbruin, vaak wat doorschijnend. Schijfvormig met 3-4  windingen. Sculptuur van fijne groeilijntjes, gekruist door spiraallijntjes. Exoot, enkele keren gevonden in het wild, daarnaast vrij algemeen in aquaria, kassen etc. Wordt verspreid met aquarium-planten e.d.Afmetingen: H. tot  1,5 mm, B. tot 7 mm.
Schelpkleur: Geelwit tot lichtbruin, vaak wat doorschijnend, waarbij de doorschemerende mantel met zwarte pigmentvlekjes opvalt.
Schelpvorm: Schijfvormig huisje, met 3-4 langzaam toenemende windingen. De sculptuur bestaat uit fijne groeilijntjes, gekruist door spiraallijntjes. Geen operculum. Mondrand onverdikt.
Dier: Door het huisje is de mantel te zien met zwarte pigmentvlekjes.
 In het wild beperkt tot enkele meldingen uit Friesland en Noord-Holland (Gittenberger et al., 1998). Daarnaast bekend uit  kassen, aquaria, vijvers e.d.
[zie bij Opmerkingen: extra gegevens bij exoten]
Meren, diverse zoete wateren, stilstaand en stromend. Leeft op waterplanten 742049SoortenalbumNederlandZoetwaterANM|Exoten
Chinese wolhandkrab
Eriocheir sinensis


Lees verder...
Chinese wolhandkrab
Eriocheir sinensis
<p>Krab. Zoet, brak en zout water. Tot 8,5 cm breed bijna vierkant rugschild. Grijsgroene tot donkerbruin. Langs de zijkant van het rugschild aan beide zijden 4 tanden (achterste 2 minder opvallend), en aan de voorkant tussen de ogen ook 4 (2 maal 2) tanden. Looppoten normaal ontwikkeld en niet sterk verschillend. Schaarpoten sterk ontwikkeld, en voorzien van een forse dot haren (bij het vrouwtje iets minder dicht). &nbsp;&nbsp;</p>

Lees verder...
Eriocheir sinensis

Krab. Zoet, brak en zout water. Tot 8,5 cm breed bijna vierkant rugschild. Grijsgroene tot donkerbruin. Langs de zijkant van het rugschild aan beide zijden 4 tanden (achterste 2 minder opvallend), en aan de voorkant tussen de ogen ook 4 (2 maal 2) tanden. Looppoten normaal ontwikkeld en niet sterk verschillend. Schaarpoten sterk ontwikkeld, en voorzien van een forse dot haren (bij het vrouwtje iets minder dicht).   

Afmetingen: tot 8,5 cm breed rugschild.
Kleur: Grijsgroene tot donkerbruin.
Rugschild: Vierkant.
Vorm:  Langs de zijkant van het rugschild aan beide zijden 4 tanden (achterste 2 minder opvallend), en aan de voorkant tussen de ogen ook 4 (2 maal 2) tanden. Looppoten normaal ontwikkeld en niet sterk verschillend. Schaarpoten sterk ontwikkeld, en voorzien van een forse dot haren (bij het vrouwtje iets minder dicht). 

  

Leeft zowel in stilstaande als stromende wateren, meestal in de buurt van de oever, vanwege meer schuilmogelijkheden en aanwezigheid van voedsel. De paaitijd is in het najaar in zoete en brakke wateren. De vrouwtjes trekken daarna naar zee. In deze tijd zijn ze vaak op strand te vinden, waar ze het volgende voorjaar hun eieren loslaten. De jonge krabben gaan terug naar het zoete water. Daarbij kunnen ze ver de rivieren op gaan, voornamelijk 's nachts. Na 2-5 jaar zijn de dieren volwassen.

 107451SoortenalbumNederlandZoutwater|Brakwater|ZoetwaterMOO
Citroengeel mosdiertje
Amathia citrina


Lees verder...
Citroengeel mosdiertje
Amathia citrina
Kolonievormende mariene soort. Karakteristiek zijn de citroengeel kleurige individuen (zo&iuml;den).

Lees verder...
Amathia citrinaKolonievormende mariene soort. Karakteristiek zijn de citroengeel kleurige individuen (zoïden).     851584SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Citroenslak
Doris pseudoargus


Lees verder...
Citroenslak
Doris pseudoargus
Zeenaaktslak. Ook in brak water. Tot 120 mm. Grote, ovale soort met breed mantelschild met halfronde wratachtige tuberkels. Rhinoforen schuin gelamelleerd en intrekbaar. Kieuwkrans op de rug met 7-9 drievoudig geveerde kieuwen. Mondopening in een klein mondveld met aan weerszijden zeer kleine mondtentakels. In Nederland zeldzaam. O.a. bekend van Den Helder, Vlissingen, Grevelingenmeer, westelijke deel Oosterschelde. Spoelt ook op het strand aan.

Lees verder...
Doris pseudoargusZeenaaktslak. Ook in brak water. Tot 120 mm. Grote, ovale soort met breed mantelschild met halfronde wratachtige tuberkels. Rhinoforen schuin gelamelleerd en intrekbaar. Kieuwkrans op de rug met 7-9 drievoudig geveerde kieuwen. Mondopening in een klein mondveld met aan weerszijden zeer kleine mondtentakels. In Nederland zeldzaam. O.a. bekend van Den Helder, Vlissingen, Grevelingenmeer, westelijke deel Oosterschelde. Spoelt ook op het strand aan.

Afmetingen: Lengte tot 120 mm.
Kleur: De kieuwkrans is vaak lichter van kleur dan de mantel. Soms ook donkerder, bijvoorbeeld een paarse kieuwkrans op een gele slak. De lichaamskleur van de mantel is bleekgrijs, geelbruin of oranje, met grote onregelmatige bruine, vleeskleurige, paarse of groene vlekken. De kieuwen zijn vaak violet van kleur. Sommige dieren zijn egaal oranje of nagenoeg geel.
Vorm: Een van de grootste Nederlandse doride zeenaaktslakken. Ovale soort met een breed mantelschild dat dicht bezet is met halfronde wratachtige tuberkels. De rhinoforen zijn schuin in de breedte gelamelleerd en intrekbaar. De kieuwkrans bestaant uit 7-9 drievoudig geveerde kieuwen. Mondopening in een klein mondveld met aan weerszijden zeer kleine mondtentakels.

Eieren: Eisnoeren worden in het noorden van Europa afgezet in het voorjaar, in het zuiden in de herfst. Het zijn grote vuilwitte, spiraalvormige linten.

 In de Nederlandse wateren is de soort zeldzaam. Onder meer gevonden bij Den Helder, Vlissingen en voorheen in het westelijke deel van de Oosterschelde en in het Grevelingenmeer. Bovendien meermalen op het strand aangespoeld gevonden.

De dieren kunnen een verlaagd zoutgehalte verdragen en zijn het hele jaar door gevonden op hard substraat waar het voedsel voorkomt. Het voedsel bestaat uit korstvormige sponzen zoals Broodspons Halichondria panicea en Bleke piekjesspons Hymeniacidon perlevis.

 181228SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Darmwieren
Ulva sp - Enteromorpha


Lees verder...
Darmwieren
Ulva sp - Enteromorpha
Groenwier. Groene, lintvormige vertakte en onvertakte wieren.

Lees verder...
Ulva sp - EnteromorphaGroenwier. Groene, lintvormige vertakte en onvertakte wieren.  Zeeland  144294SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP
Dichtgestreepte artemisschelp
Dosinia lupinus


Lees verder...
Dichtgestreepte artemisschelp
Dosinia lupinus
Mariene tweekleppige. Tot 40 mm. Vuilwit tot lichtbruin, nooit radiaire kleurbanden van V-vormige vlekken. Cirkelronde schelp met naar voren gebogen top. Voor de top ligt een hartvormig maantje. De sculptuur bestaat uit talloze concentrische ribben die aan de voor- en achterkant hoogstens in lichte mate verhoogd zijn tot platte, enigszins onregelmatige ribben. Bij jonge exemplaren is de ribsculptuur vaak nog fijn. Slot heterodont. Slotband gedeeltelijk uitwendig. Aan de binnenzijde is een diepe mantelbocht zichtbaar. De onderrand is niet gekarteld. Noordzee, verder van de kust. niet in de nabije kustzone. Spoelt zelden vers aan.

Lees verder...
Dosinia lupinusMariene tweekleppige. Tot 40 mm. Vuilwit tot lichtbruin, nooit radiaire kleurbanden van V-vormige vlekken. Cirkelronde schelp met naar voren gebogen top. Voor de top ligt een hartvormig maantje. De sculptuur bestaat uit talloze concentrische ribben die aan de voor- en achterkant hoogstens in lichte mate verhoogd zijn tot platte, enigszins onregelmatige ribben. Bij jonge exemplaren is de ribsculptuur vaak nog fijn. Slot heterodont. Slotband gedeeltelijk uitwendig. Aan de binnenzijde is een diepe mantelbocht zichtbaar. De onderrand is niet gekarteld. Noordzee, verder van de kust. niet in de nabije kustzone. Spoelt zelden vers aan.

Afmetingen: L. tot 40 mm, H. tot 40 mm.
Schelpkleur:
Schelpkleur vuilwit tot lichtbruin, nooit radiaire kleurbanden van V-vormige vlekken. Binnenzijde glanzend wit.
Schelpvorm:
Stevige cirkelronde schelp. De top is naar voren gebogen. Voor de top ligt een hartvormig maantje. Voor het maantje loopt de curve die de schelprand maakt steil omlaag. Er is geen duidelijk afgebakend rugveld. De bovenrand van de schelp loopt in vergelijking tot de (gewone) Artemisschelp steiler af naar achteren.
Sculptuur:
De sculptuur bestaat uit talloze concentrische ribben die aan de voor- en achterkant hoogstens in lichte mate verhoogd zijn tot platte, enigszins onregelmatige ribben. Bij jonge exemplaren is de ribsculptuur vaak nog fijn.
Slot:
Slot heterodont. Slotband gedeeltelijk uitwendig.
Binnenzijde schelp:
Diepe mantelbocht. De onderrand is niet gekarteld.

 Van IJsland, Noord-Noorwegen en de Oostzee tot de Azoren en de Afrikaanse westkust. Ook in de Middellandse Zee en Zwarte Zee. In het Nederlandse deel van de Noordzee is de soort weider verspreid en algemener dan de (gewone) Artemisschelp, met vooral een sterke aanwezigheid rond de Oestergronden, inclusief het Friese Front en op de Doggersbank. Op de Klaverbank overheerst de Artemisschelp. Plaatselijk ook dichter bij de kust aanwezig (Texelse Stenen en boven de Waddeneilanden). Leeft niet in de zeer nabije kustzone.
Op het strand: Verse schelpen spoelen maar zelden aan, het meest op de Waddeneilanden. Soms ook met er op vastgegroeide poliepenbosjes. Oude schelpen spoelen regelmatig aan, maar deze zijn verkleurd en fossiel (Eemien, pleistoceen).
De dieren leven vrij diep ingegraven (10-12 cm) in fijn tot matig grof zand, van dicht onder de laagwaterlijn tot 200 m diepte. Ze zuigen met hun sifonen water aan, dat langs de kieuwen gevoerd wordt, waar er voedseldeeltjes uit worden gezeefd. De dieren zijn van gescheiden geslacht. Maximale leeftijd ca. 20 jaar. 141912SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
 
   
 
Instellingen
 
 


Kolommen
select
       
Indeling
select
        
Uiterlijk
select

Groepsnaam
select

Sortering groepsnaam
select



 
   

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

  • Inventarisaties
  • Beheeradviezen 
  • Monitoring
  • Exoten

Mariene soorten en ecologie

  • Educatie
  • Artikelen
  • Exoten

 

 

Steun ANEMOON

  • Met een donatie
  • Met waarnemingen
  • Met foto's 
  • Met locatie-omschrijvingen
  • Met maken van artikelen
  • Met organiseren activiteiten

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

 

 

Back To Top