Search
Search

Flora en Fauna soorteninformatie

 
Zoeken
 
 
Zoeken


Gebied
Biotoop
Project

 
   
 
Groepen
 
 
Sponzen
Neteldieren
Ribkwallen
Ringwormen
Borstelwormen
Hoefijzerwormen
Snoerwormen
Kelkwormen
Platwormen
Weekdieren
Zeespinnen
Kreeftachtigen
Mosdiertjes
Stekelhuidigen
Zakpijpen
Vissen
Reptielen
Zoogdieren
Vaatplanten
Roodwieren
Groenwieren
Bruinwieren
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 630 items in 32 pages
ZoekbeeldKenmerken
 
               
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 630 items in 32 pages
Grauwe poon
Eutrigla gurnardus


Lees verder...
Grauwe poon
Eutrigla gurnardus


Lees verder...
Eutrigla gurnardus      150637SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Grays kustslak
Assiminea grayana


Lees verder...
Grays kustslak
Assiminea grayana
Mariene huisjesslak. Schorren en kweldergebieden, zelden in brak water. 8 x 5 mm. Glanzend bruingeel, in het midden vaak een wat donkerdere bruine kleurband. Opperhuid grijsbruin. Vaak bedekt met aangroeisel. Dunschalig horentje met 6-7 vlakke windingen. De top is spits. Oppervlak glad, met alleen groeilijnen. Geen navel, de mondopening is eivormig en breed. Operculum eivormig, bovenin spits, hoornachtig met rondom een vliezige rand. Lijkt op huisjes van het Wadslakje <em>Peringia ulvae</em> maar breder en groter.

Lees verder...
Assiminea grayanaMariene huisjesslak. Schorren en kweldergebieden, zelden in brak water. 8 x 5 mm. Glanzend bruingeel, in het midden vaak een wat donkerdere bruine kleurband. Opperhuid grijsbruin. Vaak bedekt met aangroeisel. Dunschalig horentje met 6-7 vlakke windingen. De top is spits. Oppervlak glad, met alleen groeilijnen. Geen navel, de mondopening is eivormig en breed. Operculum eivormig, bovenin spits, hoornachtig met rondom een vliezige rand. Lijkt op huisjes van het Wadslakje Peringia ulvae maar breder en groter.

Afmetingen: 8 x 5 mm.
Schelpkleur: Glanzend bruingeel of groengeel, in het midden van de lichaamswinding vaak een donkerbruine kleurband. Opperhuid grijsbruin. Vaak bedekt met aangroeisel.
Schelpvorm: Dunschalig. 6-7 vlakke windingen. Lichaamswinding breed, ca. 75% van de totale hoogte. De top is spits, de mondopening eivormig en breed. Geen navel. Operculum eivormig, bovenin spits, hoornachtig met rondom een vliezige rand.
Sculptuur: Oppervlak glad, met alleen groeilijnen.

 

In het Deltagebied na de voltooiing van de Deltawerken op veel plaatsen verdwenen of achteruit gegaan. Het huidige Nederlandse verspreidingsgebied valt uiteen in een zuidelijk deel (Westerschelde; Saeftinghe) en een Noordelijk deel (Eems-Dollard estuarium). Zeldzamer op de Waddeneilanden, maar hier de laatste jaren weer meer gevonden. 

Op het strand: Lege huisjes alleen te vinden in aanspoelsel nabij schorrengebieden.

Tussen oeverplanten op hogere delen van schorren en kwelders, meestal op plaatsen die niet dagelijks onderlopen. 138814SoortenalbumNederlandZoutwater|BrakwaterSMP|ANM
Griet
Scophthalmus rhombus


Lees verder...
Griet
Scophthalmus rhombus
<p>De Griet is een grote, ronde platvis. De ogen staan aan de linker zijde. De kleur is zeer variabel, meestal bruin tot groen met een groot aantal stipjes en vlekjes.</p>

Lees verder...
Scophthalmus rhombus

De Griet is een grote, ronde platvis. De ogen staan aan de linker zijde. De kleur is zeer variabel, meestal bruin tot groen met een groot aantal stipjes en vlekjes.

Afmeting: tot 75 centimeter groot

Kleur: bruin tot groen met vlekjes

Vinnen: rafelige rugvinstralen als stekels rond de kop

  

De Griet kan gevonden worden op slib, zand en grindbodems.

 127150SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Grijze korstzakpijp
Diplosoma listerianum


Lees verder...
Grijze korstzakpijp
Diplosoma listerianum
Mariene kolonievormende zakpijp. Meestal enkele vierkante cm, soms meer dan 10 cm in doorsnede. Dunne kolonies van minder dan 2 mm dikte. Vuilgrijs, half doorschijnend met duidelijk zwarte puntjes. Opvallend grote 'gaatjes' (gemeenschappelijke uitstroomopeningen). Soms geelachtig of donkergrijs met witte vlekken. De instroomopeningen hebben vaak witte ringetjes. Rustig en stromend water op hard substraat, soms op wieren en zeegras. Zeeland en Waddenzee.

Lees verder...
Diplosoma listerianumMariene kolonievormende zakpijp. Meestal enkele vierkante cm, soms meer dan 10 cm in doorsnede. Dunne kolonies van minder dan 2 mm dikte. Vuilgrijs, half doorschijnend met duidelijk zwarte puntjes. Opvallend grote 'gaatjes' (gemeenschappelijke uitstroomopeningen). Soms geelachtig of donkergrijs met witte vlekken. De instroomopeningen hebben vaak witte ringetjes. Rustig en stromend water op hard substraat, soms op wieren en zeegras. Zeeland en Waddenzee.Afmetingen: Kolonies zijn meestal enkele vierkante cm, maar kunnen soms wel een doorsnede bereiken van meer dan tien centimeter.
Kleur: Meestal grijs en half doorschijnend, met duidelijke zwarte puntjes. de kleur kan ook geelachtig zijn of donkergrijs met witte vlekken. De instroomopeningen zijn vaak voorzien van witte ringetjes.
Vorm: Dunne kolonies van minder dan twee mm  dikte. Opvallend zijn de grote 'gaatjes'. Dit zijn de gemeenschappelijke uitstroomopeningen. Kolonies groter dan vijf centimeter doorsnede laten aan de rand enigszins los van de ondergrond. Nog grotere kolonies kunnen vliezige holle bollen vormen met een grote opening.
 De Grijze korstzakpijp is in 1977 voor het eerst gevonden in de Oosterschelde en sindsdien algemeen geworden. In 1990 is de soort ook in de Grevelingen waargenomen en sindsdien sterk toegenomen. Sinds 1990 ook in de Waddenzee (Terschelling).  103579SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SETL
Grijze zeevinger
Alcyonidium condylocinereum


Lees verder...
Grijze zeevinger
Alcyonidium condylocinereum
Kolonievormend mosdiertje. Mariene soort. Vormt een grijze rechtopstaande kolonie met een geleiachtige structuur en knobbelige vormen. De kolonie bezit een centrale kolom waaruit vertakkingen groeien in vaste intervallen. Halverwege vertakt de kolonie in twee aparte takken, vanuit beide takken komen verdere vertakkingen.

Lees verder...
Alcyonidium condylocinereumKolonievormend mosdiertje. Mariene soort. Vormt een grijze rechtopstaande kolonie met een geleiachtige structuur en knobbelige vormen. De kolonie bezit een centrale kolom waaruit vertakkingen groeien in vaste intervallen. Halverwege vertakt de kolonie in twee aparte takken, vanuit beide takken komen verdere vertakkingen.

Afmetingen: De knobbels zijn ongeveer 0.5 mm groot en steken ongeveer 2.3 mm boven het oppervlak uit.
Kleur: Grijs.
Vorm: Rechtopstaande vertakte geleiachtige kolonie.
Overig: Zoïden hebben 18-19 tentakels

 Zuidelijke deel van de Noordzee. Engels kanaal en kanaal van Bristol.Ondiep in het sublittoraal. 153730SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP
Grijze zwemkrab
Liocarcinus vernalis


Lees verder...
Grijze zwemkrab
Liocarcinus vernalis
Mariene zwemkrab.&nbsp;Rugschild tot 45 mm. Vaak met een gemarmerd tot gevlekt patroon van grijze, blauwe en lichtrode tinten. De dieren hebben drie tanden tussen de ogen waarvan de middelste meestal even groot &oacute;f iets kleiner is dan de buitenste twee. Deze middelste tand is meestal ook scherper en iets smaller en steekt meestal niet voorbij de twee buitenste. Het vierde lid van de zwempoten (vanaf het uiteinde bezien) is 2x zo lang als breed. Aan de zijkant van schild bevinden zich vijf tanden, waarbij aan de buitenste gedeelten duidelijk een lijst zichtbaar is. De vierde van deze tanden is het grootst.s

Lees verder...
Liocarcinus vernalisMariene zwemkrab. Rugschild tot 45 mm. Vaak met een gemarmerd tot gevlekt patroon van grijze, blauwe en lichtrode tinten. De dieren hebben drie tanden tussen de ogen waarvan de middelste meestal even groot óf iets kleiner is dan de buitenste twee. Deze middelste tand is meestal ook scherper en iets smaller en steekt meestal niet voorbij de twee buitenste. Het vierde lid van de zwempoten (vanaf het uiteinde bezien) is 2x zo lang als breed. Aan de zijkant van schild bevinden zich vijf tanden, waarbij aan de buitenste gedeelten duidelijk een lijst zichtbaar is. De vierde van deze tanden is het grootst.s     107394SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP
Groene bladkieuwworm
Eulalia viridis


Lees verder...
Groene bladkieuwworm
Eulalia viridis
Borstelworm. Mariene soort. De worm&nbsp;heeft grote, bladachtige parapodi&euml;n met een kleine, ronde kop met 2 ogen. Het is een helder groene worm. In het voorjaar worden er groene geleiachtige eizakjes afgezet op vochtige stenen en zeewier. De soort heeft een lengte tot 15 cm.&nbsp;

Lees verder...
Eulalia viridisBorstelworm. Mariene soort. De worm heeft grote, bladachtige parapodiën met een kleine, ronde kop met 2 ogen. Het is een helder groene worm. In het voorjaar worden er groene geleiachtige eizakjes afgezet op vochtige stenen en zeewier. De soort heeft een lengte tot 15 cm.   Zeeland  130639SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Groene dekschelp
Monia squama


Lees verder...
Groene dekschelp
Monia squama
Mariene tweekleppige. Tot 35 mm. Geelwit, lichtbruin, binnenkant glanzend donkergroen (flesgroen). Dunschalig, met name de platte linkerklep. Onregelmatig, aangepast aan de ondergrond. Vaak met geschubde lengteribjes. In de linkerklep een relatief groot gat. Binnenzijde bollere rechterklep met twee spierindruksels, die vrijwel geheel tegen elkaar aanliggen en meestal fijn geribbeld zijn. Noordzee, verder van de kust. Op het strand alleen zelden op drijvende voorwerpen.

Lees verder...
Monia squamaMariene tweekleppige. Tot 35 mm. Geelwit, lichtbruin, binnenkant glanzend donkergroen (flesgroen). Dunschalig, met name de platte linkerklep. Onregelmatig, aangepast aan de ondergrond. Vaak met geschubde lengteribjes. In de linkerklep een relatief groot gat. Binnenzijde bollere rechterklep met twee spierindruksels, die vrijwel geheel tegen elkaar aanliggen en meestal fijn geribbeld zijn. Noordzee, verder van de kust. Op het strand alleen zelden op drijvende voorwerpen.

Afmetingen: 35 x 35 mm.
Kleur: Geelwit tot lichtbruin. Binnenzijde glanzend donkergroen.
Schelpvorm:
Dunschalige schelp, met name de platte linkerklep is flinterdun. Onregelmatig gevormd en geheel aangepast aan de ondergrond.
Sculptuur: Vaak bezet met dicht opeenstaande geschubde lengteribjes. Linkerklep met een relatief groot gat.
Slot: Ligament inwendig; geen slottanden.
Binnenzijde schelp:
Twee indruksels van spier- en byssus aan de binnenzijde liggen vaak geheel tegen elkaar aan en zijn meestal fijn geribbeld.

 

Vanaf het Arctisch Gebied en IJsland tot aan de Golf van Biscaje. Elders ook bekend van Labrador tot Newfoundland. Meldingen uit de Nederlandse Noordzee zijn schaars.  

Op het strand: Schelpen die tot deze soort zouden behoren zijn meerdere malen aangetroffen op drijvende voorwerpen als kurk, rubber en riemwier langs de Nederlandse en Belgische kust.

Leeft vastgehecht op hard substraat, met tot een korte bundel vergroeide verkalkte byssusdraden. Op stenen en schelpen, vanaf enkele meters beneden de laagwaterlijn tot aanzienlijke diepten.
In Nederland alleen verder van de kust in de Noordzee.
 153028SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Groene golfbrekeranemoon
Diadumene lineata


Lees verder...
Groene golfbrekeranemoon
Diadumene lineata
<p>Zeeanemoon. Marien. Exoot / ingevoerde soort. Tot 1,5 cm hoog. Meestal vuilgroen, soms met specifieke verticale oranje streepjes op de zuil. De&nbsp;zuil is glad en slechts weinig hoger dan breed, zodat een wat gedrongen beeld ontstaat. Bij beroering of stroming is de zuil nog korter. Leeft op hard substraat, meer verborgen dan de (gewone) Golfbrekeranemoon. Locaal in de Oosterschelde.</p>

Lees verder...
Diadumene lineata

Zeeanemoon. Marien. Exoot / ingevoerde soort. Tot 1,5 cm hoog. Meestal vuilgroen, soms met specifieke verticale oranje streepjes op de zuil. De zuil is glad en slechts weinig hoger dan breed, zodat een wat gedrongen beeld ontstaat. Bij beroering of stroming is de zuil nog korter. Leeft op hard substraat, meer verborgen dan de (gewone) Golfbrekeranemoon. Locaal in de Oosterschelde.

Afmetingen: Gewoonlijk niet hoger dan 1.5 cm. De mondschijf bereikt een diameter tot circa 1 cm. De diameter van tentakelkrans kan tot 2 cm worden, dus breder dan het dier hoog is.
Kleur:
Vaak éénkleurig groen of licht groenbruin. Er komen ook lichte, bijna witte exemplaren voor. Soms zijn op de mondschijf rode stippen te zien. Bij sommige populaties is de zuil voorzien 8-20 oranje verticale strepen. Deze zijn vooral te zien bij ingetrokken tentakels (even aanraken). Bij de Gewone golfbrekeranemoon ontbreken zulke stippen en strepen.
Vorm: De Groene golfbrekeranemoon heeft een gladde zuil, die als de anemoon volledig uitstaat, slechts weinig hoger is dan breed. De tentakels zijn vrij lang t.o.v. de lengte van de zuil.
Zoektip: Kijk vooral onder en tussen natuurstenen.

 Locaal in de Oosterschelde.De soort leeft vooral hoog boven de laagwaterlijn in getijdepoelen, bij voorkeur in spleten, waardoor vaak alleen de tentakels zichtbaar zijn. Daardoor wordt de soort door duikers weinig waargenomen. De dieren staan meestal in grote aantallen bij elkaar. Als substraat wordt meestal natuursteen 'gekozen', geen beton of asfalt. De dieren hebben een voorkeur voor spleten en richels, in tegenstelling tot de (gewone) Golfbrekeranemoon die meestal óp het substraat staat.   395099SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP
Groene mosdierslak
Palio nothus


Lees verder...
Groene mosdierslak
Palio nothus
Zeenaaktslak. Tot 20 mm. Grijsgroen of geelgroen. Basis van rhinoforen en kieuwen met donkerder groen pigment. Top rhinoforen geel tot geelbruin, tuberkels en mantelrand grijs of ongekleurd. Kleine slanke slak met gereduceerd mantelschild. Gelamelleerde rhinoforen . Op de rug 3-7 drievoudig geveerde kieuwen, lichaam&nbsp; met afgeronde, intrekbare tuberkels. Eieren in een open spiraalvormig wit, geel-oranje of vaalroze lint van 1-2 windingen op het voedsel of substraat. &nbsp;&nbsp;

Lees verder...
Palio nothusZeenaaktslak. Tot 20 mm. Grijsgroen of geelgroen. Basis van rhinoforen en kieuwen met donkerder groen pigment. Top rhinoforen geel tot geelbruin, tuberkels en mantelrand grijs of ongekleurd. Kleine slanke slak met gereduceerd mantelschild. Gelamelleerde rhinoforen . Op de rug 3-7 drievoudig geveerde kieuwen, lichaam  met afgeronde, intrekbare tuberkels. Eieren in een open spiraalvormig wit, geel-oranje of vaalroze lint van 1-2 windingen op het voedsel of substraat.   

Afmetingen: Lengte tot 20, in Nederland tot 13 mm.
Kleur:
De basiskleur van de huis van het centrale lichaam is donker grijsgroen of geelgroen. Aan de basis van de rhinoforen en de kieuwen is donkerder groen pigment aanwezig. De toppen van de rhinoforen zijn geel tot geelbruin gekleurd. De tuberkels en mantelrand zijn zeer lichtgrijs of ongekleurd.
Vorm: Een onopvallende kleine, slanke slak met een gereduceerd mantelschild. De voorrand van de kop is in twee delen ingesneden. De rhinoforen dragen lamellen en hebben een vrij lange kale steel, met aan de basis verhoogde tuberkels. Op de mantelrand staan schuin achter de kieuwen enkele gepaarde, grillig gevormde langere uitsteeksels. Rond de anus midden op de rug zijn 3-7 drievoudig geveerde kieuwen aanwezig. Het lichaam is bezet met afgeronde, intrekbare tuberkels.

Eieren: De eieren vormen een laag, open spiraalvormig lint dat wit, geel-oranje of vaalroze gekleurd is. Het bestaat uit 1-2 windingen en wordt op het voedsel, hard of zacht substraat afgezet.

 Sinds 2007 is de soort jaarlijks (sporadisch) in de centrale en westelijke Oosterschelde aangetroffen.

Te verwachten op elk hard substraat waar het voedsel voorkomt. Hoewel zeer schaars kan de soort het hele jaar in de Nederlandse kustwateren worden aangetroffen. Deze soort voedt zicht met mosdiertjes van het geslacht Bowerbankia.

 182808SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Groene rolsprietslak
Placida dendritica


Lees verder...
Groene rolsprietslak
Placida dendritica
Zeenaaktslak. Tot 20 mm. Cr&egrave;mekleurig, met meestal een groenachtig witte waas. Vertakkingen van de middendarmklier groen. Vrij slanke slak. Op de kop twee in de lengterichting opgerolde, gladde rhinoforen. De rugpapillen zijn lang en glad, maximaal 8 dwarsrijen met tot 4 papillen per rij.&nbsp; Eisnoeren als een gelatineuze spiraal in een relatief dik lin op zachte groenwieren. &nbsp;

Lees verder...
Placida dendriticaZeenaaktslak. Tot 20 mm. Crèmekleurig, met meestal een groenachtig witte waas. Vertakkingen van de middendarmklier groen. Vrij slanke slak. Op de kop twee in de lengterichting opgerolde, gladde rhinoforen. De rugpapillen zijn lang en glad, maximaal 8 dwarsrijen met tot 4 papillen per rij.  Eisnoeren als een gelatineuze spiraal in een relatief dik lin op zachte groenwieren.  

Afmetingen: Lengte tot 20 mm.
Kleur: Het lichaam is crèmekleurig, met meestal een groenachtig witte waas. De vertakkingen van de middendarmklier zijn groen van kleur en door het gehele lichaam te zien. De groene kleur in de middendarmklier en het lichaam is afhankelijk van het voedsel. Hongerende dieren zijn veel bleker en meer geelachtig bruin.
Vorm: Vrij slanke slak, de verhouding tussen de breedte van de voet en de lengte van het lichaam is ongeveer 1:8. Op de kop staan twee in de lengterichting opgerolde, gladde rhinoforen met afgeronde top. De voet heeft aan de voorzijde afgeronde hoeken. De papillen zijn lang en glad en staan geplaatst in maximaal 8 dwarsrijen op de rug, met tot 4 papillen per rij. De middendarmklier bestaat feitelijk uit 4 kanalen, waarvan 2 in de kop liggen, met dichte, veelvoudige en fijne vertakkingen in de rhinoforen. De andere twee liggen in het lichaam achter de rhinoforen, met fijne vertakkingen in de papillen.

Eieren: Bevruchting en ei-afzetting in mei tot juni (elders van de zomer tot het najaar). De eisnoeren vormen een gelatineuze spiraal in een relatief dik lint, die worden afgezet op zachte groenwieren.

 Wordt heel af en toe door duikers in de wierzone van de Oosterschelde aangetroffen. De afhankelijkheid van zachte groenwieren die alleen rond de laagwaterlijn groeien, maken het voorkomen van de soort in de open Noordzee minder waarschijnlijk. 

Het voorkomen is vanwege de voedselkeuze beperkt tot groenwiervegetaties in de wierzone, vanaf de laagwaterlijn tot enkele meters diepte. De slakken zijn net als o.a. de Groene wierslak in staat om geconsumeerde chloroplasten uit wieren in het lichaam op te slaan, die in de slak nog actief kunnen fotosynthetiseren. De soort produceert bepaalde placiden die in de natuur  zelden voorkomen en giftig zijn voor vissen. Deze stof heeft een voor predatoren afschrikkende werking en stimuleert regeneratie van verloren papillen. Het voedsel bestaat onder andere uit  plantaardig materiaal van soorten als Vederwier Bryopsis sp. en Viltwier Codium sp.

Gevoelig voor koude winters.141565SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|ANM
Groene wierslak
Elysia viridis


Lees verder...
Groene wierslak
Elysia viridis
Zeenaaktslak. Tot 70 mm, vaak kleiner. Groen, rood of gelei-wit, met blauwe/rode puntjes. Basiskleur veroorzaakt door het voedsel; de 'bladgroenkorrels' worden ingebouwd in de lichaamscellen van de slak. Langgerekte dieren met twee over de rug gevouwen zijwaartse 'vleugels'. Kop met buisvormig opgerolde reuksprieten. Eieren geelachtig, gelegd op wier in een rond of ovaal spriraalvormig lint.

Lees verder...
Elysia viridisZeenaaktslak. Tot 70 mm, vaak kleiner. Groen, rood of gelei-wit, met blauwe/rode puntjes. Basiskleur veroorzaakt door het voedsel; de 'bladgroenkorrels' worden ingebouwd in de lichaamscellen van de slak. Langgerekte dieren met twee over de rug gevouwen zijwaartse 'vleugels'. Kop met buisvormig opgerolde reuksprieten. Eieren geelachtig, gelegd op wier in een rond of ovaal spriraalvormig lint.

Afmetingen: Lengte tot 70 mm, maar vaak kleiner.
Kleur: 
De dieren zijn meestal groen, soms rood of gelei-wit, met kleine blauwe of rode puntjes. De basiskleur van het lichaam wordt veroorzaakt door de 'bladgroenkorrels' van de gegeten algensoort. Deze 'bladgroenkorrels' worden ingebouwd in de lichaamscellen van de slak, waardoor de slak direkt van de door de korrels geproduceerde organische stof (onder invloed van zonlicht) profiteert
Vorm: Langgerekte dieren, met twee zijwaartse 'vleugels' die normaal over de rug gevouwen zijn en vóór het midden het breedst zijn. Bij grotere dieren zijn de vleugelranden gegolfd en kunnen de vleugels niet meer strak tegen het lichaam worden gevouwen. In de vleugels zitten uitlopers van de middendarmklier. De vleugels worden niet gebruikt om te zwemmen. De kop draagt twee in de lengte buisvormig opgerolde reuksprieten.

Eieren: De gelige eieren worden gelegd in gladde ronde of ovale spiraalvormige linten, meestal op wieren.

 In Nederland tot op heden alleen invasiegewijs in Zeeland (Oosterschelde, monding Westerschelde). Van elders is de soort niet bekend. De laatste invasie dateert uit de periode 1989-1995.Door de voedsekeuzel is de soort beperkt tot de wierzone, vooral daar waar uitgebreide wiervegetaties voorkomen. Gewoonlijk vanaf de laagwaterlijn tot enkele meters diepte. De Groene wierslak leeft van bepaalde soorten groenwier zoals Onregelmatig vederwier Bryopsis hypnoides en Viltwier Codium tomentosum, en roodwieren zoals Griffithsia-soorten.De dieren zijn het hele jaar door waargenomen. De eieren in de periode juni-december.139686SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|ANM
Groene zeedonderpad
Taurulus bubalis


Lees verder...
Groene zeedonderpad
Taurulus bubalis
Zeevis. Tot 20 cm. Bruin tot groen met donkere vlekken of dwarsbanden. Veel kleurvarianten. Soms wit, oranje, geel of met rode tinten.&nbsp;In paaitijd met geelgroene buik. Kop breed, met dikke lippen. Grote, hoog ingeplante ogen. Lichaam gepantserd met beenplaten. Kieuwdeksels met stekels, de bovenste langer dan de oogdiameter. Mondhoeken met vliezig draadje. Twee rugvinnen, de eerste met stevige stekels. De in kluitjes gelegde eieren worden door het mannetje verdedigd. Voornamelijk in Zeeland en plaatselijk verder van de kust (wrakken).

Lees verder...
Taurulus bubalisZeevis. Tot 20 cm. Bruin tot groen met donkere vlekken of dwarsbanden. Veel kleurvarianten. Soms wit, oranje, geel of met rode tinten. In paaitijd met geelgroene buik. Kop breed, met dikke lippen. Grote, hoog ingeplante ogen. Lichaam gepantserd met beenplaten. Kieuwdeksels met stekels, de bovenste langer dan de oogdiameter. Mondhoeken met vliezig draadje. Twee rugvinnen, de eerste met stevige stekels. De in kluitjes gelegde eieren worden door het mannetje verdedigd. Voornamelijk in Zeeland en plaatselijk verder van de kust (wrakken).

Afmetingen: Tot 20 cm.
Kleur:
De basiskleur is bruin tot groen met donkere vlekken of dwarsbanden, maar er komen zeer variabele kleurvarianten voor. Soms zelfs heel opvallende kleuren zoals wit, oranje, geel en rode tinten. In de paaitijd krijgen Groene Zeedonderpadden een kenmerkend geelgroene buik.
Vorm: Brede kop met dikke lippen, grote en hoog ingeplante ogen. Het lichaam is gepantserd met beenplaten. De kieuwdeksels hebben stekels, waarvan de bovenste langer zijn dan de oogdiameter. Lange stekel op de rand van de kieuwplaat. Aan beide mondhoeken hangt een kort wit draadje. Onder de kieuwen ligt een membraan dat glad verbonden is met de buikhuid.
Vinnen: Twee rugvinnen, waarvan de eerste is voorzien met stevige stekels.

 Noord-Atlantische Oceaan, vanaf IJsland en Noord-Noorwegen via de Oostzee, Britse eilanden en Noordzee tot Portugal. Vrij algemeen in Zeeland, verder schaars langs de Nederlandse kust.

De Groene Zeedonderpad is een algemeen voorkomende bodemvis. Ze zijn te vinden tussen stenen, op het zand, bij wrakken en tussen wier in ondiep water met een rotsige bodem, tot een diepte van 30 m. Door hun camouflage zijn ze soms wat lastiger te zien. De dieren jagen vooral 's nachts. Paaitijd van februari tot mei. Zeedonderpadden leggen hun eieren in dikke kluiten en het mannetje doet fanatiek aan broedzorg. De dieren eten diverse ongewervelde bodemdieren, waaronder wormen, weekdieren en kleine kreeftachtigen, maar ze jagen ook op kleine vissen.

 127204SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP
Grofgeribde fuikhoren
Nassarius nitidus


Lees verder...
Grofgeribde fuikhoren
Nassarius nitidus
Mariene huisjesslak. Meestal in brak water. Tot 35 mm. Paarsbruin. Het eelt op de laatste omgang is dun, doorschijnend, paarsbruin of wit. Mondopening vaak paarsbruin. Opperhuid roestbruin. Dikschalig met&nbsp;vrij bolle windingen. Top matig spits, mondopening peervormig met kort siphokanaal. In de mondopening soms kleine,&nbsp; knobbels. Oppervlak met brede&nbsp;verticale ribben, gekruist door horizontale vlakke ribben (traliewerk). Mondrand vaak verdikt door dwarsrib (varix). Slikbodems in het sublitoraal. Plaatselijk in Zeeland, o.a. Grevelingen.

Lees verder...
Nassarius nitidusMariene huisjesslak. Meestal in brak water. Tot 35 mm. Paarsbruin. Het eelt op de laatste omgang is dun, doorschijnend, paarsbruin of wit. Mondopening vaak paarsbruin. Opperhuid roestbruin. Dikschalig met vrij bolle windingen. Top matig spits, mondopening peervormig met kort siphokanaal. In de mondopening soms kleine,  knobbels. Oppervlak met brede verticale ribben, gekruist door horizontale vlakke ribben (traliewerk). Mondrand vaak verdikt door dwarsrib (varix). Slikbodems in het sublitoraal. Plaatselijk in Zeeland, o.a. Grevelingen.

Afmetingen: H. 35 mm, B. 16 mm.
Schelpkleur: Paarsbruin onder een schilferige roestbruine opperhuid. Het eelt is vrij dun en doorschijnend, meestal paarsbruin met hier en daar wat wit. Ook de binnenzijde van de mond is vaak paarsbruin.
Schelpvorm: Dikschalige horen met vrij bolle windingen. Top matig spits, mondopening peervormig, uitlopend in een kort siphokanaal. Aan de binnenkant van de mondopening zitten kleine, onregelmatige tandvormige knobbels.
Sculptuur:
Met brede verticale ribben, gekruist door talrijkere horizontale vlakke ribben. Een deel van de laatste winding is door een dun laagje, glanzend eelt uit de mondopening bedekt. De mondrand is vaak verdikt met een extra dikke dwarsrib (varix).

Deze slakken zijn gevoelig voor organotin-verbindingen in aangroeiwerende verf. Wetgeving heeft het gebruik van deze verf teruggedrongen.

In Nederland zowel in binnenwater met een verlaagd zoutgehalte (brak) als in zout water. In de zuidwestelijke delta algemeen in het Veerse Meer, de Grevelingen en langs de Oosterschelde. Ook in het Kanaal door Zuid-Beveland, Het Havenkanaal van Zierikzee, etc.

De dieren leven gedeeltelijk ingegraven in een zachte, zandige slikbodem, waarbij alleen de lange sipho boven de bodem uitsteekt. In tegenstelling tot de meer mariene 'echte' Gevlochte fuikhoren, leeft de Grofgeribde gewoonlijk in lagune-achtige omstandigheden. Het zijn aaseters met een uitermate goed ontwikkeld 'reukvermogen'.

 140509SoortenalbumNederlandZoutwater|BrakwaterSMP|ANM
Groot glasmuiltje
Lamellaria perspicua


Lees verder...
Groot glasmuiltje
Lamellaria perspicua
Mariene huisjesslak. Tot 20 mm, dier groter. In Nederland groot, elders in Europa ca. 9 x 8 mm. Horentje glasachtig doorschijnend wit, bij levende dieren is de mantel er geheel omheen gegroeid, waardoor het een zeenaaktslak lijkt. Zeer dunschalige schelp met 2-3 windingen, de laatste groot en oorvormig. Geen operculum. Oppervlak met alleen onregelmatige groeilijnen. Dier: koptentakels lang en glad, ogen op verdikking&nbsp;aan de basis. Mantel sponsachtig met wratten. Opstaande sifo aan de voorkant. Lichaamskleur grijswit, geelbruin tot paarsbruin of roze met vaak lichte of donkere vlekken. Zeeland. Oosterschelde.

Lees verder...
Lamellaria perspicuaMariene huisjesslak. Tot 20 mm, dier groter. In Nederland groot, elders in Europa ca. 9 x 8 mm. Horentje glasachtig doorschijnend wit, bij levende dieren is de mantel er geheel omheen gegroeid, waardoor het een zeenaaktslak lijkt. Zeer dunschalige schelp met 2-3 windingen, de laatste groot en oorvormig. Geen operculum. Oppervlak met alleen onregelmatige groeilijnen. Dier: koptentakels lang en glad, ogen op verdikking aan de basis. Mantel sponsachtig met wratten. Opstaande sifo aan de voorkant. Lichaamskleur grijswit, geelbruin tot paarsbruin of roze met vaak lichte of donkere vlekken. Zeeland. Oosterschelde.

Afmetingen: H. 20 mm, B. 9 mm. (Dier groter). Voor de schelp van de Europese L. perspicua gelden afmetingen van 9 x 8 mm, maar ‘glasmuiltjes’ uit de Oosterschelde worden ruim 20 mm.
Schelpkleur: Glasachtig doorschijnend wit, nooit lila-achtig.
Schelpvorm: Het horentje ligt inwendig en is bij levende dieren niet zichtbaar. De mantel is er geheel omheen gegroeid, waardoor het dier op een zeenaaktslak lijkt. De schelp zelf is uiterst dunschalig en heeft 2-3 windingen, waartussen een duidelijke naad ligt. De laatste winding is zeer groot en oorvormig. Mondrand aan de spilzijde plat omgeslagen. De eerdere topwindingen zijn iets verheven. Geen operculum.
Sculptuur: Oppervlak met diverse onregelmatige groeilijnen.

Dier: Aanzienlijk groter dan de schelp. Kop plat, zonder snuit. Koptentakels lang en glad, met aan de basis een oog op een verdikking. Mantel verdikt, sponsachtig, bezet met wratvormige verdikkingen. Aan de voorkant zit een ronde, opstaande sifo. Lichaamskleur variabel: grijswit, vaal lichtgeel, soms roze of oranje, maar meestal geelbruin tot paarsbruin, met vaak witte, gele of donkere vlekken. Kop en voetzool bleek en zonder vlekken.

 Het Grote glasmuitje komt langs de West-Europese kust voor vanaf IJsland en Noord-Noorwegen tot de Kaapverdische Eilanden en in de Middellandse Zee. Daarbuiten ook gemeld uit het Caribische gebied en de Oostkust van Zuid-Amerika. De oorspronkelijke Europese vorm, die veel kleiner blijft, is als zodanig niet uit Nederland bekend. De altijd veel groter wordende glasmuiltjes uit de Nederlandse kustwateren zijn tot op heden vooral uit de Oosterschelde gemeld. Vestiging en toename hebben ongetwijfeld te maken met de toename van zakpijpen als Didemnum spec., die het voedsel vormen.Vanaf het litoraal tot diepten van vele honderden meters, met name op aan de bodem vastzittende organismen die het voedsel vormen. De Europese kleinere vormen worden vooral gevonden op samengestelde zakpijpen als Botryllus, Leptoclinum en Polyclinum, deze vormen behalve voedsel ook het substraat voor de ei-afzetting. In Nederland worden glasmuiltjes vooral gevonden op de exotische Druipzakpijp Didemnum vexillum. Aangenomen wordt dat de ei-afzetting daarop vergelijkbaar is met die zoals beschreven voor de kleinere Europese Lamellaria-vorm. Voortplanting: dieren van gescheiden geslacht. Ei-afzetting vindt plaats in voorjaar en zomer. Er worden steeds tot 3.000 geelwitte eieren bijeen afgezet in ca. 2,5 mm grote flesvormige eikapsels met een lange hals. Deze worden ingebed in holletjes in de mantel van de zakpijpkolonies. Deze holletjes worden speciaal door het vrouwtje uitgeknaagd met de voedingsslurf en rasptong. Alleen het bovenste deel van de flessenhals steekt buiten de wand van de zakpijp naar buiten. De larven komen na ca. 3 weken uit als echinospira-larven (zie bij de Koffieboontjes). 140173SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP|SMP|ANM
Groot tafelmesheft
Ensis siliqua


Lees verder...
Groot tafelmesheft
Ensis siliqua
Mariene tweekleppige. Tot 21,5 cm. Diagonaal gescheiden kleurpatroon van paarsroze gekleurde horizontale, en verticale vlekken en strepen. Opperhuid lichtgroen tot donkerbruin, schilferig. Ons grootste mesheft: 6-7 keer zo lang als hoog. Boven- en onderrand vrijwel recht. Achterkant vaak breder dan voorkant. Oppervlak glad, alleen groeilijnen. Noordzee, in dieper water. Spoelt vooral op de Noordelijke Waddeneilanden aan.

Lees verder...
Ensis siliquaMariene tweekleppige. Tot 21,5 cm. Diagonaal gescheiden kleurpatroon van paarsroze gekleurde horizontale, en verticale vlekken en strepen. Opperhuid lichtgroen tot donkerbruin, schilferig. Ons grootste mesheft: 6-7 keer zo lang als hoog. Boven- en onderrand vrijwel recht. Achterkant vaak breder dan voorkant. Oppervlak glad, alleen groeilijnen. Noordzee, in dieper water. Spoelt vooral op de Noordelijke Waddeneilanden aan.

Afmetingen: 21,5 X 3,0 cm.
Kleur: Roze tot bruinpaars gekleurde bandjes op een lichtere ondergrond, vanuit de top via een diagonale lijn in tweeën gedeeld. Aan de ene kant lopen de strepen vrijwel horizontaal, aan de andere kant verticaal. De opperhuid is lichtgroen tot donkerbruin en schilferig. Binnenzijde wit, nooit met violette tinten.
Schelpvorm: Grootste mesheft ter wereld. 6 tot 7 keer zo lang als hoog. Zowel de boven- als onderrand zijn vrijwel recht. De achterkant is regelmatig gewelfd en iets breder dan de voorkant.
Sculptuur: Oppervlak is glad met alleen groeilijnen. Slot: Heterodont; in de rechterklep 1 cardinale en 1 laterale tand en in de linkerklep 2 cardinale en 2 laterale tanden. Slotband uitwendig.

Binnenzijde schelp: De afstand van de mantellijn tot de voorrand is even groot als die tot de onderrand. Het voorste sluitspierindruksel heeft een lengte van ongeveer 1¼ maal de slotband en is aan de voorkant duidelijk smaller dan aan de achterkant.

 

Het areaal strekt zich uit van het Arctisch Gebied, Noorwegen en de Oostzee, tot Marokko. Niet in de Middellandse Zee. In de Noordzee voornamelijk gevonden in het zandgebied ten westen van Texel, op de Doggersbank en boven de Waddeneilanden.  

Op het strand: Gezien de regelmatige aanspoelingen van verse, soms nog levende dieren, zijn met name bij de drie noordelijke Waddeneilanden Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog, kustnabije populaties aanwezig. 

De dieren leven rechtop ingegraven in schone, relatief fijn zandbodems, nooit in slibrijk sediment. Uitsluitend in het sublitoraal tussen 10-35 m of dieper. Het zijn filteraars. Ze leven vaak vlak onder het bodemoppervlak, met de sifonen iets boven de bodem. Bij verstoring trekken ze zich snel dieper in de zelf gegraven gangen in de bodem terug. De dieren zijn van gescheiden geslacht. Voortplanting in voorjaar en zomer. Kan tot 19 jaar worden.  140735SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Groot zeegras
Zostera (Zostera) marina


Lees verder...
Groot zeegras
Zostera (Zostera) marina


Lees verder...
Zostera (Zostera) marina      145795SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Grote diepslak
Bithynia tentaculata


Lees verder...
Grote diepslak
Bithynia tentaculata
Zoetwater-huisjesslak. Soms in licht brak water. Tot 11 mm. Geelbruin, cr&egrave;mewit, grijsgroen tot hoornbruin, vaak wat doorschijnend en regelmatig overdekt met aanslag. Dunschalig horentje met 5-6 vrij vlakke windingen. Mondopening eivormig, bovenin spits. Operculum vrij dik. Geen navel. Oppervlak glad, alleen groeilijnen. Nu en dan langgerekter of meer gedrongen, of met horizontale kiel. Algemeen in alle zoete wateren.

Lees verder...
Bithynia tentaculataZoetwater-huisjesslak. Soms in licht brak water. Tot 11 mm. Geelbruin, crèmewit, grijsgroen tot hoornbruin, vaak wat doorschijnend en regelmatig overdekt met aanslag. Dunschalig horentje met 5-6 vrij vlakke windingen. Mondopening eivormig, bovenin spits. Operculum vrij dik. Geen navel. Oppervlak glad, alleen groeilijnen. Nu en dan langgerekter of meer gedrongen, of met horizontale kiel. Algemeen in alle zoete wateren.Afmetingen: H. 11 x B. 7 mm
Schelpkleur: Geelbruin, crèmewit, grijsgroen tot hoornbruin, vaak wat doorschijnend. Vaak ook begroeid of overdekt met aanslag.

Schelpvorm: Dunschalig, spits horentje. 5-6 vrij vlakke windingen, naad ertussen niet diep. De mondopening is eivormig, bovenin toegespitst. Operculum (afsluitplaatje) vrij dik, met duidelijke groeilijnen, eivormig, bovenin spits. Niet of nauwelijks een navel naast de mond. Schelpoppervlak glad, alleen met groeilijnen. De Grote diepslak-horentjes zijn variabel van vorm. Ze kunnen ook meer langgerekt zijn, of meer gedrongen en plomp. Er zijn ook exemplaren bekend met een duidelijke horizontale kiel op het midden van de laatste winding.

 Heel Europa. In Nederland in alle mogelijke sloten, kanalen, vijvers en meer open wateren en meren.In alle zoete en ook sommige licht brakke wateren. Vaak in water dat rijk is aan waterplanten, maar ook in vrijwel onbegroeide wateren en in diepere plassen, kanalen, sloten. De dieren leven vaak op de bodem en op harde substraten zoals stenen en hout. xSoortenalbumNederlandZoetwaterANM
Grote heremietkreeft
Pagurus bernhardus


Lees verder...
Grote heremietkreeft
Pagurus bernhardus
<p>Heremietkreeft. Mariene soort tot 10 cm (rugschild&nbsp; 3,5 cm). Het weke achterlijf is verborgen in een slakkenhuis (jonge dieren o.a. in alikruiken, trapgeveltjes, tepelhorens, oudere in Wulk en Noordhorens). Teruggetrokken is de kreeft nauwelijks zichtbaar. Lopend komen scharen, ogen, voelsprieten en deels het rugschild uit de horen. Scharen, poten en rugschild zijn oranjebruin met wit.</p>

Lees verder...
Pagurus bernhardus

Heremietkreeft. Mariene soort tot 10 cm (rugschild  3,5 cm). Het weke achterlijf is verborgen in een slakkenhuis (jonge dieren o.a. in alikruiken, trapgeveltjes, tepelhorens, oudere in Wulk en Noordhorens). Teruggetrokken is de kreeft nauwelijks zichtbaar. Lopend komen scharen, ogen, voelsprieten en deels het rugschild uit de horen. Scharen, poten en rugschild zijn oranjebruin met wit.

Afmetingen: Rugschild tot maximaal 3,5 cm, totale  lengte van 10 cm. (De grootste soort hemietkreeft van Noordwest Europa.)

Kleur: Scharen, rugschild en poten zijn geeloranje tot roodbruin. Delen van scharen en poten zijn vuilwit. Boven aan de poten vaak rode vlekjes. De ogen zijn olijfgroen.
Rugschild:
Vaak niet goed te onderscheiden, afgerond.
Poten:
De asymmetrie van de scharen is opvallend. De rechter schaarpoot is veel groter dan de linker. In een heel enkel geval kan dit omgekeerd zijn. Beide schaarpoten en scharen zijn voorzien van enkele lengterichels met daarop een rij knobbeltjes. Slechts twee van de vier paar looppoten zijn goed ontwikkeld. Het lichaam van de Heremietkreeft is aangepast aan het leven in een (rechtsgewonden) slakkenhuis. De achterste poten zijn ontwikkeld tot een soort haken waarmee de kreeft zich in het slakkenhuis kan verankeren.
Overig:
 De ogen staan op lange steeltjes.
Als de dieren uit hun huisje komen (bijvoorbeeld door de branding uitgespoeld, tijdens de paring of tijdens het verhuizen naar een grotere schelp, is het weke, asymetrische, korte en worstvormige  achterlijf te zien.

  Rotsige bodems, schelpenbodems en zachte bodems, zoals zand en slib. Zachte bodems waar de dieren in kunnen wegzakken worden vermeden. Ook vaak tussen begroeiing van zeewieren en hydroïdpoliepen en in zeegrasvelden.
Waargenomen tot diepten van 140 meter of meer. Er zijn zelfs exemplaren gevangen op 500 meter diepte. In de Nederlandse wateren is diepte geen beperking. Jonge dieren zijn soms in de getijdenzone aanwezig, volwassen exemplaren, vrijwel alleen beneden de laagwaterlijn.
Heremietkreeften zijn alleseters (omnivoor) en kunnen op verschillende manieren voedsel tot zich nemen. Zo hebben ze in hun bek een soort zeef, waarmee ze plankton uit het water kunnen filteren. Ook kunnen ze een slijmnet uit de bek laten hangen waarmee ze plankton vangen. De piepkleine diertjes die tussen de zandkorrels op de zeebodem leven worden opgeveegd met behulp van de borstels aan hun mond. Wormen, kleine kreeftachtigen en andere organismen eet de heremietkreeft met de kleinere linkerschaar. Met de grotere rechterschaar kunnen schelpdieren worden gekraakt. Behalve vers voedsel eet de heremietkreeft ook aasresten.
Heremietkreeften kunnen niet zomaar doorgroeien. Als de dieren te groot worden en het slakkenhuis te krap, komt het moment om te verhuizen. Eenmaal groter dan 3 cm, moeten ze op zoek naar een groter (Wulken-) huis. De Heremiet selecteert eerst een nieuw slakkenhuis. De vorm van het achterlijf is aangepast aan rechtsgewonden slakkenhuizen. De zelden voorkomende linksgedraaide horens zijn niet te gebruiken, omdat het achterlijf niet past. Een pontentieel nieuw huis wordt eerst met de scharen geïnspecteerd. Dan verlaat het dier het oude huisje en steekt razendsnel het achterlijf in de nieuwe woning. Bevalt deze toch niet goed, dan kruipt het dier weer razendsnel terug in het oude huisje.
Ook om te kunnen paren verlaat de heremietkreeft  het huisje. De paring gaat snel en de dieren verlaten nog geen minuut hun huis. Na de paring legt het vrouwtje eieren, die ze veilig binnenshuis meedraagt. Met de waaiervormige achterpoten zorgt ze dat de eieren worden voorzien van vers water. Eenmaal uitgekomen verlaten de larven het ouderlijk huis en mengen zich tussen het plankton, waar de larven meerdere weken in het open water doorbrengen, om vervolgens naar de bodem af te zakken en een huisje van een jonge Tepelhoren, Trapgevel, Alikruik of ander klein slakje te zoeken. Omdat de vorm van het achterlijf is aangepast aan de normale rechtsgewonden slakkenhuizen, zijn de soms voorkomende linksgedraaide horens niet te gebruiken.

De grotere rechterschaar gebruikt de Gewone heremiet ter zelfverdediging en voor het kraken van kleine schelpdieren. De rechterschaar, die groter is dan de linker, sluit bij gevaar de ingang van het slakkenhuis af.
Een heremietkreeft zonder huis is ten dode opgeschreven. Op plaatsen waar weinig grote schelpen zijn, bijvoorbeeld waar de Wulk verdween, zijn is de Heremietkreeften ook sterk in aantal afgenomen. 

 107232SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Grote koornaarvis
Atherina presbyter


Lees verder...
Grote koornaarvis
Atherina presbyter
<p>Koornaarvissen zijn scholenvormend. Ze zijn helder groen tot blauwachtig glanzend met een opvallend glanzende zijdestreep. Van dichtbij zijn zwarte pigmentvlekjes langs de randen van de schubben te zien. De staartvin is gevorkt.</p>

Lees verder...
Atherina presbyter

Koornaarvissen zijn scholenvormend. Ze zijn helder groen tot blauwachtig glanzend met een opvallend glanzende zijdestreep. Van dichtbij zijn zwarte pigmentvlekjes langs de randen van de schubben te zien. De staartvin is gevorkt.

Afmetingen: Lengte tot 21 cm, meestal kleiner.
Kleur:
Glanzend heldergroen tot blauw, opvallende zijdestreep. Van dichtbij zijn zwarte pigmentvlekjes langs de randen van de schubben te zien.
Vorm: Zeer slank visje met gevorkte staart. Ogen vrij groot. Zijlijn met 53-57 schubben.
Vinnen:
Twee korte, gescheiden rugvinnen, de eerste met tot 8 harde vinstralen. Losse, korte driehoekige  borst en anaalvin. De laatate met tot 18 vinstralen.

 Noordoost-Atlantische kust tussen 14 en 60°NB en 26° WL tot 17°OL. Het belangrijkste verspreidingsgebied loopt vanaf Schotland en Denemarken, via de Noordzee tot aan Marokko en in de Middellandse Zee. Langs de Nederlandse kust was de vis vroeger algemeen, met name in de Waddenzee en de Zeeuwse wateren. Tegenwoordig veel minder algemeen. Staat als bedreigd op de Nederlandse Rode Lijst, maar als 'veilig' op de internationale Rode Lijst van de IUCN.

Koornaarvissen vormen scholen in ondiep water en in estuaria langs de kust. Ze geven de voorkeur aan rustig water met veel begroeiing. Ook zwermen ze vaak rond objecten zoals steigers en pontons. Paaitijd april-juni. De eieren worden afgezet aan zeewier. De dieren eten dierlijk plankton, kleine kreeftachtigen en larven van vissen. De hoogst geregistreerde leeftijd is 4 jaar.

 272030SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
 
   
 
Instellingen
 
 


Kolommen
select
       
Indeling
select
        
Uiterlijk
select

Groepsnaam
select

Sortering groepsnaam
select



 
   

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

  • Inventarisaties
  • Beheeradviezen 
  • Monitoring
  • Exoten

Mariene soorten en ecologie

  • Educatie
  • Artikelen
  • Exoten

 

 

Steun ANEMOON

  • Met een donatie
  • Met waarnemingen
  • Met foto's 
  • Met locatie-omschrijvingen
  • Met maken van artikelen
  • Met organiseren activiteiten

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

 

 

Back To Top