Search
Search

Flora en Fauna soorteninformatie

 
Zoeken
 
 
Zoeken


Gebied
Biotoop
Project

 
   
 
Groepen
 
 
Sponzen
Neteldieren
Ribkwallen
Ringwormen
Borstelwormen
Hoefijzerwormen
Snoerwormen
Kelkwormen
Platwormen
Weekdieren
Zeespinnen
Kreeftachtigen
Mosdiertjes
Stekelhuidigen
Zakpijpen
Vissen
Reptielen
Zoogdieren
Vaatplanten
Roodwieren
Groenwieren
Bruinwieren
 
   
 
Soorten
 
 
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 630 items in 32 pages
ZoekbeeldKenmerken
 
               
Data pager
Data pager
Page size:
PageSizeComboBox
select
 630 items in 32 pages
Gezwollen bolzakpijp
Synoicum pulmonaria


Lees verder...
Gezwollen bolzakpijp
Synoicum pulmonaria
Mariene kolonievormende zakpijp. Kolonies peervormig of rond. Tot 10 cm in doorsnede, halfdoorzichtig, geelachtig-grijs, met of zonder zand op de kolonie. Instroomopening heeft 6 driehoekige lobben. Uitstroomopening kort. Wordt op alle wrakken tijdens de expeditie aangetroffen.

Lees verder...
Synoicum pulmonariaMariene kolonievormende zakpijp. Kolonies peervormig of rond. Tot 10 cm in doorsnede, halfdoorzichtig, geelachtig-grijs, met of zonder zand op de kolonie. Instroomopening heeft 6 driehoekige lobben. Uitstroomopening kort. Wordt op alle wrakken tijdens de expeditie aangetroffen.     103692SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Gezwollen knuppelslak
Eubranchus farrani


Lees verder...
Gezwollen knuppelslak
Eubranchus farrani
<p>Zeenaaktslak. Tot 23 mm. De rhinoforen en tentakels zijn glad, kort en ongeveer gelijk in lengte. De papillen zijn opvallend opgezwollen, aan de uiteinden spits,&nbsp; nooit ingesnoerd. Ze staan tot aan de zijkant van de rhinoforen ingeplant. In totaal kunnen ca. 10 diagonale rijen voorkomen, van ongeveer 5 papillen per halve rij, de grootste in het midden op de rug. Grevelingemeer en Oosterschelde. Schaars.</p>

Lees verder...
Eubranchus farrani

Zeenaaktslak. Tot 23 mm. De rhinoforen en tentakels zijn glad, kort en ongeveer gelijk in lengte. De papillen zijn opvallend opgezwollen, aan de uiteinden spits,  nooit ingesnoerd. Ze staan tot aan de zijkant van de rhinoforen ingeplant. In totaal kunnen ca. 10 diagonale rijen voorkomen, van ongeveer 5 papillen per halve rij, de grootste in het midden op de rug. Grevelingemeer en Oosterschelde. Schaars.

Afmetingen: Lengte tot 23 mm.
Kleur: De lichaamskleur is variabel, maar altijd aanwezig zijn de wit gevlekte uiteinden van de tentakels en rhinoforen en de oranje puntjes en vlekken op het lichaam. Verder hebben de papillen vaak een opvallende gele of oranje, soms witte ring vlak onder de top (bij Nederlandse exemplaren nog niet waargenomen). Witte vlekken op de toppen van de papillen maskeren de cnidosac. De vertakkingen van de middendarmklier in de papillen zijn grijs, lichtbruin tot zalmkleurig.
Vorm: De rhinoforen en tentakels zijn glad, kort en ongeveer gelijk in lengte. De papillen zijn opvallend opgezwollen, lopen aan de uiteinden spits toe, zijn nooit ingesnoerd en staan tot aan de zijkant van de rhinoforen ingeplant. In totaal kunnen ca. 10 diagonale rijen voorkomen, van ongeveer 5 papillen per halve rij, de grootste in het midden op de rug.

Eieren: Eisnoeren worden afgezet in een klein (3 mm) plat, omhooggericht wit lint, afgezet in twee windingen rond het voedsel. Het eisnoer lijkt sterk op dat van de Bleke knuppelslak.
Overig: Elders in Europa zijn ook rode, bruine, tot bijna zwarte exemplaren, evenals dieren met een goudkleurige waas en dieren met oranje tot lichtgele pigmentvlekken op de toppen van de papillen. Een volledig wit lichaam waarop het oranje pigment is vervangen door wit, komt ook voor. 

 In 2003 aangetroffen in het zuidwestelijke deel van het Grevelingenmeer bij Scharendijke en Den Osse. Daarnaast is de soort in 2001 en 2011 uit de Oosterschelde gemeld, maar deze determinaties konden niet worden geverifieerd. Ook voor de determinaties van 2003 geldt dat deze uitsluitend zijn gebaseerd op externe kenmerken. In het sublitoraal op hard substraat in al dan niet beschutte gebieden, waar het voedsel voorkomt. Het voedsel bestaat uit verschillende soorten hydropoliepen, waaronder Zeepluim Aglaophenia pluma en soorten uit het geslacht Obelia .Nederlandse waarnemingen komen vooral uit mei-juli. Nederlandse waarnemingen zijn zeldzaam en stammen uit de winter, lente en vroege zomer. 139766SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Gezwollen slanke noordhoren
Colus jeffreysianus


Lees verder...
Gezwollen slanke noordhoren
Colus jeffreysianus
Mariene huisjesslak. Tot 70 mm. Wit of cr&egrave;me, opperhuid bruin tot groenachtig. De schelp is vrij dunschalig, met 8-9 vrij bolle, vaak licht geschouderde windingen. De opperhuid kan glad zijn, maar ook vezelig. De top gaat gelijkmatig over in de volgende windingen en is niet knopvormig. Sifokanaal vrij kort, gebogen. Operculum peervormig. De windingen hebben fijne spiraalsculptuur. Soms zijn de windingen gedrongen en is de opperhuid streperig. Schaars in de Nederlandse Noordzee in diep water.

Lees verder...
Colus jeffreysianusMariene huisjesslak. Tot 70 mm. Wit of crème, opperhuid bruin tot groenachtig. De schelp is vrij dunschalig, met 8-9 vrij bolle, vaak licht geschouderde windingen. De opperhuid kan glad zijn, maar ook vezelig. De top gaat gelijkmatig over in de volgende windingen en is niet knopvormig. Sifokanaal vrij kort, gebogen. Operculum peervormig. De windingen hebben fijne spiraalsculptuur. Soms zijn de windingen gedrongen en is de opperhuid streperig. Schaars in de Nederlandse Noordzee in diep water.Afmetingen:  H. tot 70 mm, B. tot 30 mm.
Schelpkleur:
Wit of crème, opperhuid bruin tot groenachtig.

Schelpvorm: De schelp is vrij dunschalig, met 8-9 vrij bolle, vaak licht geschouderde windingen. De top gaat gelijkmatig over in de volgende windingen en is iets ingezonken, zeker niet knopvormig zoals bij de andere Colus-soorten. De opperhuid kan glad zijn, maar ook vezelig. Sifokanaal vrij kort, gebogen. Operculum peervormig, hoornachtig.
Sculptuur: De windingen zijn voorzien van een fijne spiraalsculptuur. 

Dier: als bij de (gewone) Slanke noordhoren Colus gracilis. De koptentakels zijn langer, minder plat en de ogen liggen dichter tegen de basis van de tentakel aan, op een verdikt gedeelte daarvan. Lichaamskleur bleekwit of crème.

 Van IJsland en het Kattegat/Skagerrak zuidwaarts tot Marokko. Ook in de westelijke Middellandse Zee. Leeft rond Het Kanaal algemener dan in het Noorden. Van het NCP bestaat ten minste één zekere melding uit de bodembemonsteringen rond de Oestergronden, omhoog gehaald met de bodemschaaf. Van de bodemvisserij zijn meerdere incidenteel geviste dieren uit de Noordzee bekend.De soort leeft op zand- of slibbodems op 20 tot ruim 2.000 m diepte. Het zijn carnivoren en aaseters. Vermoedelijk zijn ze ook in staat actief prooien als tweekleppigen aan te vallen (zie bij de Wulk). De dieren zijn van gescheiden geslacht. De eicapsules zijn min of meer rond en geelachtig. Veel eieren per capsule, maar die dienen vrijwel allemaal als voeding voor 1-2 van de zich ontwikkelende embryo’s. Evenals de meeste andere Buccinidae een langlevende soort. 138903SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Gezwollen tolhoren
Gibbula tumida


Lees verder...
Gezwollen tolhoren
Gibbula tumida
Mariene huisjesslak.Tot 10 mm. Cr&egrave;me, geelgrijs tot bruinroze met rozerode en bruine vlekken en strepen. 6-7 matig bolle windingen die aan de bovenkant afgeplat zijn. Mondopening hoekig, binnenin parelmoerkleurig. De navel is nauw, kommavormig en vrij diep. De sculptuur bestaat uit fijne spiraalrichels. Noordzee, ver van de kust (Klaverbank). Zelden op het strand, alleen op drijvende voorwerpen en als fossiel.

Lees verder...
Gibbula tumidaMariene huisjesslak.Tot 10 mm. Crème, geelgrijs tot bruinroze met rozerode en bruine vlekken en strepen. 6-7 matig bolle windingen die aan de bovenkant afgeplat zijn. Mondopening hoekig, binnenin parelmoerkleurig. De navel is nauw, kommavormig en vrij diep. De sculptuur bestaat uit fijne spiraalrichels. Noordzee, ver van de kust (Klaverbank). Zelden op het strand, alleen op drijvende voorwerpen en als fossiel.

Afmetingen:  H. tot 10 mm, B. tot 10 mm.
Schelpkleur:
Crème, geelgrijs tot bruinroze met een patroon van rozerode en bruine vlekjes en lengtestreepjes en tevens talloze dwars op de windingen staande bruine zigzaglijntjes.
Schelpvorm:
  Stevige horen met 6-7 matig bolle windingen, waarvan de laatste aan de bovenkant afgeplat zijn.  De top is scherp, de mondopening vierkant, binnenin parelmoerkleurig, met aan de binnenzijde een flauwe knobbel. De navel is nauw, kommavormig en vrij diep.
Sculptuur:
De sculptuur bestaat uit een aantal fijne spiraalrichels.

Dier: Koptentakels lang, iets gegroefd en bezet met papillen. Ogen op korte oogsteel. Voet met vier paar voettentakels. Lichaamskleur crèmewit met grijsviolette vlekken en dwarslijnen op de snuit en bovenzijde van de kop en voet, daarnaast ook witte blokvormige vlekjes, met name op de kopplooien.

 

Voorkomend van Noord-Noorwegen en IJsland tot Gibraltar. In de Noordzee voornamelijk in noordelijke streken en in diep water. Ook bekend van Helgoland. Leeft niet in het Nederlandse nabije kustgebied en is tot nog toe alleen met zekerheid levend aangetroffen op de Klaverbank. In dit meest westelijke deel van de Nederlandse sector bevat de bodem veel grind en grove stenen.

Op het strand: Alleen gevonden met drijvende voorwerpen (wulkeieren) en als fossiel.

Zelden of nooit litoraal, gewoonlijk op stenen of grind op een zand-modderbodem in het sublitoraal, tot een diepte van 1.200 m. In ondiep water soms tussen wortelstelsels van grote wieren als Laminaria sp. De dieren zijn omnivoor; het voedsel bestaat vooral uit detritus en diatomeeën. Voortplanting in maart-april. De groenige eieren worden afzonderlijk gelegd. De slakjes die uit de eieren komen, vestigen zich direct: er is geen planktonisch veligerlarvenstadium. Leeftijd: 3-4 jaar. 141799SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Glad porseleinkrabbetje
Pisidia longicornis


Lees verder...
Glad porseleinkrabbetje
Pisidia longicornis
<p>Kleine krab, met een bijna rond rugschild tot ca. 1 cm. Vaak roodbruin. De schaarpoten zijn bijna net zo groot als het rugschild. Op het eerste gezicht 3 paar looppoten, het vierde paar zit vaak verborgen onder het schild.</p>

Lees verder...
Pisidia longicornis

Kleine krab, met een bijna rond rugschild tot ca. 1 cm. Vaak roodbruin. De schaarpoten zijn bijna net zo groot als het rugschild. Op het eerste gezicht 3 paar looppoten, het vierde paar zit vaak verborgen onder het schild.

Afmetingen: volwassen exemplaren met een tot 1 cm groot rugschild.
Kleur:
Roodbruin, bruin. Vaak met aangroeisels.
Rugschild: Vrijwel rond. Aan de voorzijde drie afgeronde tanden met kleine tandjes erop tussen de ogen. Aan de zijkant enkele kleine tandjes. De bovenkant is iets korrelig en heeft enkele haartjes.
Poten: De scharen van de voorste poten zijn links en rechts verschillend. De zijkant heeft een dubbele groeve. De vaste vinger heeft aan de buitenzijde een groeve en aan de bovenzijde in het midden een tand. De palm wordt naar voren toe breder. Het overige drie paar poten is ongeveer gelijk, glad met hier en daar een haartje. Op de uiterste twee segmenten van deze poten staan stekels. Het laatste paar poten is is klein en slank en heeft een klein schaartje. Deze poten zitten meestal onder het schild verstopt.
Overig:
Porseleinkrabbetjes behoren niet tot de echte krabben (Infraorde Brachyura) maar tot de Anomura, waartoe ook Heremietkreeften behoren. Door met hun kleine achterlijf, dat normaal onder het achterlijf gebogen zit, snel heen en weer te bewegen kunnen Porseleinkrabbetjes zwemmen.    

 

N-Atlantische Oceaan, Middellandse Zee, Noordzee, Oostzee. In Nederland in de Oosterschelde en  Westerschelde, in de open Noordzee veelvuldig op wrakken te vinden.

Gladde porseleinkrabbetjes leven op en tussen tussen allerlei organismen, voornamelijk op hard substraat. De kaakpoten hebben geveerde aanhangsels, waarmee ze door het water slaan en zo eetbaar spul vangen. Het voedsel bestaat uit dierlijke en plantaardige organismen; het zijn alleseters.

Meldingen van vrouwtjes met eieren zijn sporadisch en bekend uit het zomerhalfjaar.

 107188SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Gladde olifantstand
Antalis entalis


Lees verder...
Gladde olifantstand
Antalis entalis
<p>Stoottand. Mariene soort. Tot 45 mm lang. Ivoorwit tot vuilwit, soms lichtcr&eacute;me. Geen anderen kleuren. Vaak met aanslag overdekt. Slanke, holle, zwakgebogen buis, aan beide zijden open. Lijkt op een miniatuur olifantenslagtand. Op een derde vanaf de smalste zijde iets sterker gebogen. Leeft ingegraven in de zeebodem, in de Noordzee (en elders) alleen in dieper water, niet nabij de kust. Soms met vissers aangevoerd of in/aan drijvende voorwerpen (wulkeneieren, poliepenbosjes).</p>

Lees verder...
Antalis entalis

Stoottand. Mariene soort. Tot 45 mm lang. Ivoorwit tot vuilwit, soms lichtcréme. Geen anderen kleuren. Vaak met aanslag overdekt. Slanke, holle, zwakgebogen buis, aan beide zijden open. Lijkt op een miniatuur olifantenslagtand. Op een derde vanaf de smalste zijde iets sterker gebogen. Leeft ingegraven in de zeebodem, in de Noordzee (en elders) alleen in dieper water, niet nabij de kust. Soms met vissers aangevoerd of in/aan drijvende voorwerpen (wulkeneieren, poliepenbosjes).

Afmetingen: L. 45 mm, B. tot 4 mm (= tevens diameter bij grootste opening, de apertura).
Schelpkleur:
crèmewit, porseleinachtig. Vaak met een matwitte, kalkachtige aanslag.
Schelpvorm:
Lijkt op een miniatuur slagtand van een olifant. Slanke, zwakgebogen, geleidelijk in omvang toenemende holle buis, met aan beide zijden een opening. Op een derde vanaf de smalste zijde is de buis iets sterker gebogen.
Sculptuur:
De schelp ziet er glad uit, met alleen groeilijnen. Maar bij goed bewaard gebleven exemplaren blijkt op de apicale zone een microscopisch fijne ribsculptuur aanwezig.

Dier: Het lichaam is omgeven door de geheel aaneengesloten mantel. De kop heeft geen ogen of andere waarnemingsorganen. Er is een mondopening, waarin een brede rasptong ligt. De voet heeft twee lobben en steekt uit het voorste en tevens breedste deel van de schelp. Naast de voet liggen tentakeldraden (captacula) die als tasters dienst doen bij het zoeken naar voedsel.

 

Van het Arctisch Gebied tot in de Middellandse Zee. In de Noordzee vooral in de noordelijke, diepere delen. Regelmatig gevangen door de Noordzeevisserij, o.a. exemplaren van de Doggersbank en het Botneygat.

Mariene soort. De dieren leven in diverse typen bodemsediment, van modder tot fijn of grof zand. Het voedsel bestaat voornamelijk uit foraminiferen en detritus. De dieren zijn van gescheiden  geslacht. Ei-afzetting en bevruchting vinden plaats via de waterkolom, waarna een kort (tot 5 dagen) veligerlarvenstadium volgt. Leeftijd: tot 3 jaar.

 150534SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Gladde sponspootkrab
Inachus phalangium


Lees verder...
Gladde sponspootkrab
Inachus phalangium
Krab. Mariene soort. Rugschild tot 2,2 cm. Bruinachtig met wat rood. Uiteinden rostrum en scharen roder. Spinachtige krab met zeer lange looppoten, waarvan het eerste paar langer. Schaarpoten en scharen kort en breed. Rugschild driehoekig, het rostrum is gesplitst door een nauwe spleet. Achter de oogstelen staat een stekel met daarachter een brede bobbel. Schild met vage bobbels en in het midden &eacute;&eacute;n omhoog stekende punt. Scharen met weinig stekels, poten en lichaam met haakvormige haren. Hele dier gewoonlijk door sponzen overdekt. Zeldzaam (Zeeland).

Lees verder...
Inachus phalangiumKrab. Mariene soort. Rugschild tot 2,2 cm. Bruinachtig met wat rood. Uiteinden rostrum en scharen roder. Spinachtige krab met zeer lange looppoten, waarvan het eerste paar langer. Schaarpoten en scharen kort en breed. Rugschild driehoekig, het rostrum is gesplitst door een nauwe spleet. Achter de oogstelen staat een stekel met daarachter een brede bobbel. Schild met vage bobbels en in het midden één omhoog stekende punt. Scharen met weinig stekels, poten en lichaam met haakvormige haren. Hele dier gewoonlijk door sponzen overdekt. Zeldzaam (Zeeland).

Afmetingen: Maximale lengte en breedte van het rugschild tot 2,2 cm.
Kleur: Rugschild deels bruin, deels roodachtig, de uiteinden van het rostrum en de scharen zijn rood. De kleuren zijn overigens zelden zichtbaar omdat er sponzen op geplakt zijn.
Rugschild: Schild driehoekig, ongeveer even lang als breed. De punt tussen de ogen is kort, met twee brede, afgeronde punten. Deze liggen dicht bij elkaar, alleen een nauwe spleet scheidt ze. Korte, brede oogstelen met direct erachter een grote stekel en daarachter een grote bobbel. Verder naar achteren zijn er wat onduidelijke bobbels op het rugschild, behalve in het midden. Daar staat één duidelijk ontwikkelde punt recht omhoog.
Poten: De schaarpoten zijn korter dan de looppoten. Die van het mannetje zijn dikker dan die van het vrouwtje. Bij het vrouwtje zijn de schaarpoten ongeveer even dik als de looppoten. De scharen zijn vrij glad met maar een paar stekels. Het eerste paar looppoten is duidelijk langer/groter dan de andere looppoten.
Overig:
Het lichaam is geheel bedekt met korte rechte en haakvormige haren.

 

Osst-Atlantische Oceaan, vanaf Noorwegen via de Britse eilanden en de Noordzee tot de West-Afrikaanse kust en in de Middellandse Zee. In Nederland schaars tot zeldzaam, bekend van de Westerschelde-monding en uit de Oosterschelde.

Leeft vooral op diepten tussen 10–50 meter, vaak op de bodem van geulen. Ook gevonden in de getijdenzone, meestal tussen stenen en sponzen. De dieren zoeken graag de beschutting van zeeanemonen. Vooral de in Nederland zeer zeldzame wasroos Anemonia sulcata schijnt favoriet te zijn; hiermee leeft de soort vaak als commensaal samen. Zoals alle sponspootkrabben geeft ook de Gladde sponspootkrab er voorkeur aan zich te camoufleren met sponzen, in dit geval voornamelijk met stukjes van de Broodspons Halichondria panicea.

 107333SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Gladde zeevinger
Alcyonidium gelatinosum


Lees verder...
Gladde zeevinger
Alcyonidium gelatinosum
De kolonie vormt een enkellagige korst en is doorschijnend wit, gelig of bruin. De zo&iuml;den zijn doorschijnend indien jong en met een witte rand als het om oudere zo&iuml;den gaat.&nbsp;

Lees verder...
Alcyonidium gelatinosumDe kolonie vormt een enkellagige korst en is doorschijnend wit, gelig of bruin. De zoïden zijn doorschijnend indien jong en met een witte rand als het om oudere zoïden gaat.    Komt voor in het getijdengebied op beschutte stranden op stenen, schelpen en Fucus serratus. 111600SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP
Gladschubbige zeerups
Harmothoe imbricata


Lees verder...
Gladschubbige zeerups
Harmothoe imbricata
Borstelworm. Mariene soort. Lengte 3-5 cm (elders wel 6,5 cm lang en 2 cm breed). De 15 paar rugschilden lijken glad, maar bevatten kleine conische&nbsp;bobbeltjes. De schilden hebben aan de buitenrand plukjes korte haren. Grote exemplaren hebben&nbsp;aan de achterzijde van de schilden een rij kort gesteelde bolletjes. Aan de zijkant van het lichaam steken aanhangels van de 'pootjes' onder de schilden uit. E&eacute;n paar ogen boven op de kop, en &eacute;&eacute;n paar aan de onderkant. E&eacute;n antenne in het midden van de kop, twee kleinere aan de zijkant. Kleur: (bruin) gevlekt donkergrijs, grijsblauw bruin tot bruinpaars met metaalglans; soms roodachtig. De schilden zijn soms donker in het midden met lichte vlekjes&nbsp;aan de&nbsp;rand.

Lees verder...
Harmothoe imbricataBorstelworm. Mariene soort. Lengte 3-5 cm (elders wel 6,5 cm lang en 2 cm breed). De 15 paar rugschilden lijken glad, maar bevatten kleine conische bobbeltjes. De schilden hebben aan de buitenrand plukjes korte haren. Grote exemplaren hebben aan de achterzijde van de schilden een rij kort gesteelde bolletjes. Aan de zijkant van het lichaam steken aanhangels van de 'pootjes' onder de schilden uit. Eén paar ogen boven op de kop, en één paar aan de onderkant. Eén antenne in het midden van de kop, twee kleinere aan de zijkant. Kleur: (bruin) gevlekt donkergrijs, grijsblauw bruin tot bruinpaars met metaalglans; soms roodachtig. De schilden zijn soms donker in het midden met lichte vlekjes aan de rand.  Verspreiding in Nederland: vooral in Zeeland, plaatselijk lang de Hollandse kust en in de Waddenzee. Komt in Europa voor van het Noordpoolgebied tot in de Middellandse Zee. Ook in de Indische Oceaan en in de noordelijke Stille Oceaan.Leefgebied van hoog in het getijdengebied tot grote diepten (3,5 km!). Van open zeekusten tot zeer beschutte riviermondingen. Verdraagt lage zoutgehalten en een grote variatie in temperatuur. Onder stenen, in de 'wortels' van grote bruinwieren (Laminaria) en in kokers van andere wormen. Ook wel als commensaal in slakkenhuizen die bewoond worden door een heremietkreeft. 130769SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|SETL
Glanzend tandhorentje
Odostomia eulimoides


Lees verder...
Glanzend tandhorentje
Odostomia eulimoides
Mariene huisjesslak. Tot ca. 5 mm. Cr&egrave;me. 6-7 vrij vlakke windingen. De topwinding is klein en ingedraaid, niet gekanteld. In de mondopening aan de spilzijde een scherpe tandplooi. Oppervlak glad met grovere groeilijnen en soms microscopische spiraallijntjes. Lichaamskleur witachtig met een groot aantal gele vlekken op de koptentakels, kop en voet. Noordzee, geassocieerd met diverse weekdieren en wormen. Op het strand voornamelijk oude fossiele exemplaren

Lees verder...
Odostomia eulimoidesMariene huisjesslak. Tot ca. 5 mm. Crème. 6-7 vrij vlakke windingen. De topwinding is klein en ingedraaid, niet gekanteld. In de mondopening aan de spilzijde een scherpe tandplooi. Oppervlak glad met grovere groeilijnen en soms microscopische spiraallijntjes. Lichaamskleur witachtig met een groot aantal gele vlekken op de koptentakels, kop en voet. Noordzee, geassocieerd met diverse weekdieren en wormen. Op het strand voornamelijk oude fossiele exemplarenAfmetingen: H. tot ca. 5 mm, B. tot 3 mm.
Schelpkleur: Crème.
Schelpvorm:  Dunwandig horentje met 6-7 vrij vlakke windingen. De topwinding is klein en ingedraaid, niet gekanteld (zie opmerkingen). Binnenkant van de mondopening met aan de spilzijde een scherpe tandplooi.

Sculptuur: Het oppervlak is bijna glad met grovere groeilijnen en soms microscopische spiraallijntjes

Dier: Tentakels vrij lang, driehoekig, met elkaar verbonden aan de basis en met een lengtegroeve. Ogen tussen de tentakels, relatief ver uit elkaar. Lichaamskleur witachtig met een groot aantal gele vlekken op de koptentakels, kop en voet.

 

Van het Arctisch Gebied zuidwaarts tot in de Middellandse Zee. Van het NCP zijn vondsten bekend uit bodemhappen. Ook werd een exemplaar in de maag van de Purperen zeeklit Spatangus purpureus gevonden bij de Texelse stenen.

Op het strand: Meermalen met drijvende voorwerpen aangespoeld, met name Riemwier Himanthalia. Lege huisjes zijn daarnaast van de hele kust bekend, in de meeste gevallen fossielen uit het Pleistoceen (Eemien).

Op rots-, zand- en slibbodems, van net onder de laagwaterlijn tot ruim 100 m diepte. Evenals de andere Pyramidellidae zijn het ectoparasieten, die met een lange voedingsslurf lichaamsvloeistof van hun gastheren opzuigen. Ze leven van andere weekdieren, zowel tweekleppigen als slakken. Als gastheer zijn genoemd (gewone) Oester, Noordse rotsboorder, Grote, Wijde en andere mantels. Daarnaast op de Penhoren en de (gewone) Mossel Ook geassocieerd gevonden met  kokerwormen van de geslachten Spirobranchus, Spirorbis en Serpula. Hermafrodiet. Llevensduur hoogstens een jaar. 140989SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Glanzende bolzakpijp
Aplidium glabrum


Lees verder...
Glanzende bolzakpijp
Aplidium glabrum
Kolonievormende zakpijp, marien. Zakpijp met een sponsachtig uiterlijk. De kolonies zijn halfdoorschijnend, meestal geelroze van kleur en springen daardoor meestal duidelijk in het oog. Ze zijn opvallend glanzend. De kolonie heeft vaak de vorm van een afgeplatte bol. De omtrek is echter meestal niet mooi rond, maar heeft vaak uitstulpingen. De zijkanten van de kolonie zijn soms met zand bedekt. De kolonie is voorzien van onregelmatig gerangschikte gaatjes. Om ieder gaatje is een ringetje te zien van minder doorschijnend weefsel. Wie beter kijkt, kan zien dat ieder gaatje de opening vormt van een doorschijnend 'buisje'. Ieder buisje is een zakpijpje. De kolonies voelen opmerkelijk stevig en glad aan.

Lees verder...
Aplidium glabrumKolonievormende zakpijp, marien. Zakpijp met een sponsachtig uiterlijk. De kolonies zijn halfdoorschijnend, meestal geelroze van kleur en springen daardoor meestal duidelijk in het oog. Ze zijn opvallend glanzend. De kolonie heeft vaak de vorm van een afgeplatte bol. De omtrek is echter meestal niet mooi rond, maar heeft vaak uitstulpingen. De zijkanten van de kolonie zijn soms met zand bedekt. De kolonie is voorzien van onregelmatig gerangschikte gaatjes. Om ieder gaatje is een ringetje te zien van minder doorschijnend weefsel. Wie beter kijkt, kan zien dat ieder gaatje de opening vormt van een doorschijnend 'buisje'. Ieder buisje is een zakpijpje. De kolonies voelen opmerkelijk stevig en glad aan.

Afmetingen: Kolonies bereiken een middenlijn tot tien centimeter en een hoogte tot drie centimeter. Individuele zakpijpjes bereiken hoogten tot circa 8 mm. De ringetjes rond de instroomopeningen zijn circa 1 mm.

Kleur: De glanzende bolzakpijp heeft een wat lichte maar onbestemde kleur: halfdoorzichtig, geel- tot oranje tot rose-achtig, soms grijzig of melkachtig wit, soms met een blauwe gloed

 De Glanzende bolzakpijp is in 1977 voor het eerst gevonden in de Oosterschelde. Rond 1988 is de soort ook in het Grevelingen waargenomen. In beide wateren is de soort sterk toegenomen en thans algemeen te noemen. Over verdere verspreiding is nog weinig bekend.Kolonies van deze soort worden vooral in rustig water aangetroffen, met name op pontons, touwen en palen, maar ook op ander hard substraat. 103647SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP
Glanzende dunschaal
Abra nitida


Lees verder...
Glanzende dunschaal
Abra nitida
Mariene tweekleppige. Tot 1,8 cm. Dunne, ovale, zeer breekbare, glasachtige tot witte schelp. Achter de top zit een onduidelijke, lichte inbochting. Het oppervlak is vrijwel glad, met alleen groeilijnen. Plaatselijk algemeen in Zeeland (o.a. Grevelingen). In de Noordzee alleen in dieper water. Niet op het strand.

Lees verder...
Abra nitidaMariene tweekleppige. Tot 1,8 cm. Dunne, ovale, zeer breekbare, glasachtige tot witte schelp. Achter de top zit een onduidelijke, lichte inbochting. Het oppervlak is vrijwel glad, met alleen groeilijnen. Plaatselijk algemeen in Zeeland (o.a. Grevelingen). In de Noordzee alleen in dieper water. Niet op het strand.

Afmeting: 18 x 7 mm.
Schelpkleur: Zeer sterk glanzend wit, soms enigszins doorschijnend. De opperhuid is licht- tot bruingeel.
Schelpvorm:
Dunne schelp, zeer breekbaar. De top ligt iets achter het midden. De schelp is langwerpig en symmetrisch van vorm. Achter de top bevindt zich een kenmerkende, zij het onduidelijke, lichte inbochting.
Sculptuur: Het oppervlak is vrijwel glad.
Slot: Slotgedeelte met een kleine, scheef driehoekige ligamentholte en alleen twee cardinale tandjes in de rechterklep. Externe slotband en inwendige ligamentprop klein, waardoor doubletten snel losraken.
Binnenzijde schelp: Glanzend wit of doorschijnend.

 

Van IJsland en Noord-Noorwegen tot Marokko. Ook in de Middellandse Zee. Bij ons ligt het zwaartepunt van de verspreiding in de Noordzee rond de Oestergronden en het Friese Front. Daarnaast bekend van een aantal plaatsen in Zeeland, voornamelijk in het Grevelingenmeer.

Op het strand: Deze soort is tot op heden nog niet levend of vers aangespoeld van het Noordzeestrand gemeld.

De soort kan worden aangetroffen van dicht beneden de laagwaterlijn tot diepten van 200 m of meer. Slibhoudende bodems. De dieren leven tot ca. 5 cm ingegraven. 141435SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Glanzende tepelhoren
Euspira nitida


Lees verder...
Glanzende tepelhoren
Euspira nitida
Mariene huisjesslak. Tot 15 mm. Verse exemplaren zijn bruingeel met op de laatste winding 4 of 5 rijen roodbruine gevlamde vlekjes. 5-6 windingen met ertussen een ondiepe naad. De top is spits, de navel langwerpig van vorm en gedeeltelijk bedekt door het eelt. Het schelpoppervlak is glad met alleen groeilijnen.&nbsp;&nbsp; Langs de hele kust en in de Zeeuwse stromen. Nu en dan levend op het strand, oud strandmateriaal is vaak blauwzwart of bruin verkleurd.

Lees verder...
Euspira nitidaMariene huisjesslak. Tot 15 mm. Verse exemplaren zijn bruingeel met op de laatste winding 4 of 5 rijen roodbruine gevlamde vlekjes. 5-6 windingen met ertussen een ondiepe naad. De top is spits, de navel langwerpig van vorm en gedeeltelijk bedekt door het eelt. Het schelpoppervlak is glad met alleen groeilijnen.   Langs de hele kust en in de Zeeuwse stromen. Nu en dan levend op het strand, oud strandmateriaal is vaak blauwzwart of bruin verkleurd.

Afmetingen: 13 x 15 mm.
Schelpkleur: Verse exemplaren zijn bruingeel met op de laatste winding 4 of 5 rijen roodbruine vlekjes en vlammetjes. Strandmateriaal is vaak blauw zwart of bruin verkleurd.
Schelpvorm:
Kleiner en minder bol dan bij E. catena. 5-6 Windingen met ertussen een ondiepe naad. De top is spits, de navel langwerpig van vorm en gedeeltelijk bedekt door het eelt.
Sculptuur:
Het schelpoppervlak is glad met alleen groeilijnen. 

Aanspoelingen van verse levende exemplaren lijken op meerdere plaatsen langs de kust te zijn toegenomen. Deze soort wordt ook veel levend bij zandopspuitingen naar de kust vervoerd,

Hele zuidoostelijke Noordzeegebied. In Nederland levend in de Zeeuwse stromen en overal langs de Noordzeekust.

Op het strand: Lege huisjes zijn algemeen in horentjesgruis langs de hele kust. Vooral tussen Den Helder en Hoek van Holland zijn vaak duizenden exemplaren tegelijk te vinden. Levende dieren spoelen minder algemeen, maar toch regelmatig aan. De laatste jaren schijnbaar toegenomen. Zeer regelmatig bewoond door de Kleine heremietkreeft Diogenes pugilator.

Zandige kustgebieden tussen 10 en 50 meter diep. Ook (veel) dieper aangetroffen. Habitat:Zandige kustgebieden, meestal tussen 10 en 50 meter. Echter ook (veel) dieper aangetroffen. 151894SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Glasgrondel
Aphia minuta


Lees verder...
Glasgrondel
Aphia minuta
<p>Zeevis. Langwerpige, tot 6 cm grote grondelsoort. Het meest kenmerkende is het half transparant lichaam, waardoorheen wervelkolom (graat), ingewanden en vooral de zwemblaas goed zichtbaar zijn. Twee rugvinnen, waarvan de eerste verhoudingsgewijs vrij klein is. Vrij zwemmend. </p>

Lees verder...
Aphia minuta

Zeevis. Langwerpige, tot 6 cm grote grondelsoort. Het meest kenmerkende is het half transparant lichaam, waardoorheen wervelkolom (graat), ingewanden en vooral de zwemblaas goed zichtbaar zijn. Twee rugvinnen, waarvan de eerste verhoudingsgewijs vrij klein is. Vrij zwemmend.

Afmeting: tot 6 cm.
Kleur
: kleurloos doorschijnend.
Vorm:
Langwerpige, tot 6 cm grote, doorschijnende grondelsoort met een het half transparant lichaam. Wervelkolom en ingewanden zijn goed zichtbaar. Vooral de zwemblaas is als een soort belletje duidelijk te herkennen.
Vinnen: Er zijn twee rugvinnen, waarvan de eerste verhoudingsgewijs vrij klein is.

 

N.O. Atlantische Oceaan, Noordzee, Oostzee. Langs de Nederlandse kust minder algemeen.

Glasgrondels zwemmen in scholen door open water, vooral in kalmer water. Ze leven veel meer pelagisch dan de meeste andere grondels, die meer aan de bodem gebonden zijn. Hierdoor, en omdat ze door hun transparantie moeilijk zichtbaar zijn, worden ze vrij weinig waargenomen. 's Nachts zweven ze duttend dichter bij de bodem.

 126868SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Golfbrekeranemoon
Diadumene cincta


Lees verder...
Golfbrekeranemoon
Diadumene cincta
Zeeanemoon. Marien. Kleine, veelal oranje soort, met tamelijk korte, dunne tentakels. Tot 6 cm hoog, maar meestal veel kleiner. De dieren hebben een gladde slanke zuil die als de dieren volledig uitstaan veel hoger is dan breed. Leeft op hard substraat, maar ook op grootbladige wieren. Van de laagwaterlijn tot diepten van ca. 40 meter. Zeeland, Wadden, plaatselijk langs de Hollandse kust.

Lees verder...
Diadumene cinctaZeeanemoon. Marien. Kleine, veelal oranje soort, met tamelijk korte, dunne tentakels. Tot 6 cm hoog, maar meestal veel kleiner. De dieren hebben een gladde slanke zuil die als de dieren volledig uitstaan veel hoger is dan breed. Leeft op hard substraat, maar ook op grootbladige wieren. Van de laagwaterlijn tot diepten van ca. 40 meter. Zeeland, Wadden, plaatselijk langs de Hollandse kust.

Afmetingen: Maximaal 5-6 cm hoog, maar doorgaans veel kleiner. De zuil is in uitgestrekte toestand minder dan 1 cm. in doorsnede. De tentakels zijn 1-2 cm lang.
Kleur:
Meestal oranje, soms oranjebruin, soms groenig. Vaak feller gekleurd dan Zeeanjelieren. Vooral in de winter worden soms ook 'verbleekte' en soms zelfs min of meer doorschijnende exemplaren waargenomen, wat de kans op verwarring met Zeeanjelieren vergroot. De koosnaam 'Baksteenanemoon' verwijst naar de mooie oranje- tot roodbruine (baksteen-) kleur.
Vorm: De zuil van de Golfbrekeranemoon is slank, vaak wormvormig. De tentakels zijn vrij dik en in een cirkelvormige krans geplaatst. De mondschijf van de Golfbrekeranemoon is nooit geplooid. De voet is rond. Soms worden exemplaren waargenomen met één of meer vechttentakels.

 

 Algemeen in de province Zeeland, in de Waddenzee meer plaatselijk. Leeft ook hier en daar langs de Noordzeekust van Noord- en Zuid-Holland.De Golfbrekeranemoon leeft voornamelijk op hard substraat als stenen, palen, schelpen, hout van wrakken etc., maar ook op grootbladige wieren zoals Zeesla. De dieren komen voor van de laagwaterlijn tot diepten van ca. 40 meter. 100872SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|LIMP
Golfschelp
Thyasira flexuosa


Lees verder...
Golfschelp
Thyasira flexuosa
Mariene tweekleppige. Tot 12 mm. Bijna driehoekige schelp. Dun, iets hoger dan breed. Bleek geelwit, zwak doorschijnend, met een licht geelbruine opperhuid. Top in het midden, iets gebogen. Parallel aan de achterrand loopt een brdere wordende plooi naar de achteronderrand, waardoor de achteronderrand een indeuking vertoont. Glad met fijne en grovere groeilijntjes. Mantellijn zonder mantelbocht. Diepere Noordzee. Op het strand alleen fossiel.

Lees verder...
Thyasira flexuosaMariene tweekleppige. Tot 12 mm. Bijna driehoekige schelp. Dun, iets hoger dan breed. Bleek geelwit, zwak doorschijnend, met een licht geelbruine opperhuid. Top in het midden, iets gebogen. Parallel aan de achterrand loopt een brdere wordende plooi naar de achteronderrand, waardoor de achteronderrand een indeuking vertoont. Glad met fijne en grovere groeilijntjes. Mantellijn zonder mantelbocht. Diepere Noordzee. Op het strand alleen fossiel.

Afmeting: 10 x 12 mm.
Kleur:
Bleek geelwit, zwak doorschijnend, met een licht geelbruine opperhuid.
Schelpvorm:
Bijna driehoekige schelp. Dunwandig maar toch tamelijk stevig. Iets hoger dan breed. Umbo’s in het midden maar iets naar voren buigend. Parallel aan de achterrand loopt vanaf de top een plooi naar de achteronderrand, die naar beneden toe steeds breder en dieper wordt, waardoor de achteronderrand een indeuking vertoont.
Sculptuur: Het schelpoppervlak is glad met veel fijne en enkele grovere groeilijntjes.
Slot:
Ligament inwendig, geen duidelijke slottanden.
Binnenzijde schelp: 2 spierindruksels, mantellijn zonder mantelbocht.

 

Van IJsland en Noorwegen tot aan Marokko, de Canarische Eilanden, de Azoren en de Middellandse Zee. In de Nederlandse Noordzee bekend van de Oestergronden, met enkele verspreide voorkomens op het Friese Front en ten noorden van de Bruine Bank.   

Op het strand: De weinige meldingen van strandmateriaal zijn vermoedelijk allemaal terug te voeren op fossiel materiaal. Er zijn ook enkele vondsten van drijvend materiaal.

De dieren leven ingegraven in een fijne zand- of modderbodem, vanaf enkele meters beneden de laagwaterlijn tot diepten van enige honderden meters. 141662SoortenalbumNederlandZoutwaterSMP|ANM
Gorgelpijp-knotsslak
Tenellia gymnota


Lees verder...
Gorgelpijp-knotsslak
Tenellia gymnota
Zeenaaktslak. Tot 20 mm. Het lichaam is tamelijk plomp, met afgeronde voethoeken. De rhinoforen zijn langer dan de koptentakels. De papillen zijn in schuine dwarsrijen gerangschikt, tot 7 per halve rij. De rangschikking in rijen is niet altijd duidelijk te zien.

Lees verder...
Tenellia gymnotaZeenaaktslak. Tot 20 mm. Het lichaam is tamelijk plomp, met afgeronde voethoeken. De rhinoforen zijn langer dan de koptentakels. De papillen zijn in schuine dwarsrijen gerangschikt, tot 7 per halve rij. De rangschikking in rijen is niet altijd duidelijk te zien.

Afmetingen: Lengte tot ± 20 mm.
Kleur:
Het lichaam is transparant, kleurloos tot wit. De papillen zijn oranjerood, met een witte top, soms met een licht oranje bandje onder de witte top.
Vorm: Het lichaam is tamelijk plomp, met afgeronde voethoeken. De rhinoforen zijn langer dan de koptentakels. De papillen zijn in schuine dwarsrijen gerangschikt, tot 7 per halve rij. De rangschikking in rijen is niet altijd duidelijk te zien.

Eieren: De eisnoeren vormen een wat uitgerekte niervormige massa en zijn wit, lichtroze, of geeloranje gekleurd.

 Vrij algemeen in zowel de Ooster- als Westerschelde. Ook in de Waddenzee en de Noordzee, maar niet in de Grevelingen of het Veerse Meer. 

verspreidingsatlas: link

De slakken leven van de Gorgelpijppoliep Tubularia larynx en de Penneschaft Tubularia indivisa. Ze leven nogal verscholen en vaak aan de voet van deze voedselsoorten en zijn daarom, ondanks hun kleur en grootte, toch vaak moeilijk te vinden. Op elk hard substaat met Tubularia-kolonies kan Trinchesia gymnota verwacht worden. Dieren die op de fijn vertakte Gorgelpijppoliep fourageren, zijn vaak wat fletser en kleiner dan dieren die op de grotere onvertakte Penneschaft leven. Op Penneschaft zijn de dieren meestal aan de basis van de kolonie te vinden, op Gorgelpijppoliep vaak midden in de dichte bos van de takjes van de poliep. Op beide soorten wordt gefourageerd door een gaatje in een hydroïden-takje te maken en deze vervolgens leeg te zuigen. De hydranten worden nooit gegeten.

De soort is gedurende het gehele jaar door te vinden, maar het meest in de periode mei-oktober.

890625SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|ANM
Gorgelpijppoliep
Ectopleura larynx


Lees verder...
Gorgelpijppoliep
Ectopleura larynx
Hydropoliep. Mariene soort. Kolonies meestal 3-4 cm, soms tot 10 cm. Uit een grondplaat komende geelbruine, maximaal 1.5 mm dikke buizen met een aantal duidelijke ringvormige insnoeringen. Aan de bovenkant meer roze. Aan het uiteinde steeds een poliep met rond de mondopening twee tentakelkransen.

Lees verder...
Ectopleura larynxHydropoliep. Mariene soort. Kolonies meestal 3-4 cm, soms tot 10 cm. Uit een grondplaat komende geelbruine, maximaal 1.5 mm dikke buizen met een aantal duidelijke ringvormige insnoeringen. Aan de bovenkant meer roze. Aan het uiteinde steeds een poliep met rond de mondopening twee tentakelkransen.

Afmetingen: Kolonies zijn meestal zo'n 3 tot 4 cm hoog, soms tot 10 cm. Tentakels van de onderste tentakelkrans tot ca. 8 mm. De buisjes zijn maximaal 1.5 mm dik.
Kleur: Geelbruine buizen, aan de bovenkant meer roze. De bovenkant van de poliep, waar de mondopening staat, is helder- of donkerrood.
Vorm: De kolonies van Gorgelpijp bestaan uit een op het substraat vastgehechte grondplaat waaruit meerdere vertakte stelen komen, elk met een aantal duidelijke ringvormige insnoeringen. Aan het uiteinde zit steeds een poliep met twee tentakelkransen rond de mondopening. De ongeveer 20 tentakels rond de mondopening zijn kort en de 20 tentakels van de lager gelegen tweede krans staan breed uit en zijn langer.
Overig: Tussen de twee tentakelkransen zijn in het voorjaar de voortplantingsorganen aanwezig: een massa rode bolletjes.De mate van vertakking zou afhankelijk zijn van de stroming. Hoe meer stroming, hoe meer vertakkingen. De kolonies mijden direkt daglicht.

 

Beide zijden Noord-Atlantische Oceaan, Noordzee. Ook in de Middellandse Zee. In Nederland in de Noordzee en de Zeeuwse wateren. Zeeland

De kolonies groeien op elke harde ondergrond. Van iets beneden de laagwaterlijn tot ca. 300 m diepte. De soort heeft een voorkeur voor de onderkant van stenen en andere substraten. Ook onder boten. 157933SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Goudkammetje
Lagis koreni


Lees verder...
Goudkammetje
Lagis koreni
Borstelworm. Tot 5 cm lang, met 15 segmenten. Bij de kop vier kieuwen, rood vanwege de rijke doorstroming met bloed. Het dier zelf is wit met een roze weerschijn en redelijk doorschijnend, je kunt midden over de buikzijde een bloedvat zien lopen.

Lees verder...
Lagis koreniBorstelworm. Tot 5 cm lang, met 15 segmenten. Bij de kop vier kieuwen, rood vanwege de rijke doorstroming met bloed. Het dier zelf is wit met een roze weerschijn en redelijk doorschijnend, je kunt midden over de buikzijde een bloedvat zien lopen.     152367SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO
Goudstipje
Cumanotus beaumonti


Lees verder...
Goudstipje
Cumanotus beaumonti
Zeenaaktslak. Tot 25 mm. Aan de zijkanten van de kop staan twee korte mondtentakels. De rhinoforen zijn lang, glad en raken elkaar aan de basis. Voor de rhinoforen bevinden zich 2-3 rijen papillen. Op de rug, achter de rhinoforen, bevinden zich nog eens ongeveer 9-10 gepaarde rijen papillen, met aan iedere zijde per rij 6-9 papillen. Op een breder deel van de rug direct achter de rhinoforen ontbreken papillen. Naar de staart toe wordt deze kale strook veel smaller. &nbsp;

Lees verder...
Cumanotus beaumontiZeenaaktslak. Tot 25 mm. Aan de zijkanten van de kop staan twee korte mondtentakels. De rhinoforen zijn lang, glad en raken elkaar aan de basis. Voor de rhinoforen bevinden zich 2-3 rijen papillen. Op de rug, achter de rhinoforen, bevinden zich nog eens ongeveer 9-10 gepaarde rijen papillen, met aan iedere zijde per rij 6-9 papillen. Op een breder deel van de rug direct achter de rhinoforen ontbreken papillen. Naar de staart toe wordt deze kale strook veel smaller.  

Afmetingen: Lengte tot 25 mm.
Kleur:
De lichaamskleur is transparant wit tot geel-oranje. Lichaam, rhinoforen en papillen zijn bedekt met verspreid staande karakteristieke kleine goudkleurige vlekjes. De cnidosacs in de top van de papillen zijn lang en wit van kleur. De vertakkingen van de middendarmklier in de papillen zijn rozerood tot bruin en donkerder gekleurd dan het lichaam. Exemplaren aangetroffen op Penneschaft (de Nederlandse en Belgische exemplaren) zijn donkerder gekleurd dan exemplaren van elders, die zich met Corymorpha nutans voeden.
Vorm: Aan de zijkanten van de kop staan twee korte mondtentakels. De rhinoforen zijn lang, glad en raken elkaar aan de basis. Voor de rhinoforen bevinden zich 2-3 rijen papillen. Op de rug, achter de rhinoforen, bevinden zich nog eens ongeveer 9-10 gepaarde rijen papillen, met aan iedere zijde per rij 6-9 papillen. Op een breder deel van de rug direct achter de rhinoforen ontbreken papillen. Naar de staart toe wordt deze kale strook veel smaller.  

Eieren: De eisnoeren worden afgezet in het voorjaar en de zomer (in mei 2010 in de Belgische Noordzee en in juni-juli 2010 bij Texel). Ze vormen dikke, korte, lichtroze snoeren, die om de voedselsoort worden gewonden. Bij sterke vergroting blijken de pigmentvlekjes te zijn opgebouwd uit tientallen kleinere pigmentvlekjes. Op deze vlekjes is de Nederlandse naam gebaseerd. Net als de Boompjesslak kan het ‘Goudstipje’ actief zwemmen door zich los te maken van de bodem en met de gespierde voet pulserend krachtig heen en weer te slaan.

 

Sinds 2010 is de soort bekend uit Nederland. Deze waarnemingen beperken zich tot 2010, met een enkel exemplaar uit de Oosterschelde en een klein aantal exemplaren met eikapsels op Texel. De soort is zeldzaam in Nederland.

De soort voedt zich met solitaire hydropoliepen als Corymorpha nutans (op zand of grind) en Penneschaft Tubularia indivisa (op hard substraat). De Nederlandse exemplaren zijn alle aangetroffen op Penneschaft.

 139431SoortenalbumNederlandZoutwaterMOO|ANM
 
   
 
Instellingen
 
 


Kolommen
select
       
Indeling
select
        
Uiterlijk
select

Groepsnaam
select

Sortering groepsnaam
select



 
   

Diensten

Weekdieren (EU-Habitatrichtlijn)

  • Inventarisaties
  • Beheeradviezen 
  • Monitoring
  • Exoten

Mariene soorten en ecologie

  • Educatie
  • Artikelen
  • Exoten

 

 

Steun ANEMOON

  • Met een donatie
  • Met waarnemingen
  • Met foto's 
  • Met locatie-omschrijvingen
  • Met maken van artikelen
  • Met organiseren activiteiten

Contact

Stichting ANEMOON
Postbus 29
2120 AA Bennebroek

anemoon@cistron.nl

06-11442009

 

 

Back To Top